Beltane (Meiavond)

Gebaseerd op :
Joke en Ko Lankester: De acht Jaarfeesten

Door Wicca's en moderne heidenen wordt op 30 april Beltane gevierd. Ook Nederlandse Wicca's en heidenen hebben deze gewoonte overgenomen, hoewel een Keltisch feest met die naam hier nooit gevierd is.

Het is echter niet nodig ons tot de Kelten te beperken, want de andere Indo-Europese volkeren hebben even uitbundig het Meifeest gevierd, ook in Nederland.

Nog steeds zijn plaatselijk restanden van het Meifeest te vinden, al zijn ze soms verbonden aan Pinksteren, Hemelvaartsdag, de Kruisdagen of Sint Joris.

De Romeinse Floralia hebben eerder model gestaan voor de Meifeesten in Europa dan het Keltische Beltane. Het Meifeest is door de eeuwen heen het meest uitbundige, en erotische feest in het jaar gebleven.

De essentie van Meiavond

Meiavond is net als het Lentefeest een vruchtbaarheidsfeest, maar hier betreft het meer het nieuwe leven dat zich voor onze ogen ontwikkelt: een overvloed aan bloemen, bloeiende fruitbomen, de eerste groenten, die onder glas geteeld worden. Het gaat daarbij met name om de bevruchting van al wat bloeit. Veel oude gebruiken rond Pinksteren zijn tot de meiviering te herleiden.

De Meibruid Of Pinksterbruid werd vaak gelijkgesteld aan de godin Flora, zoals op het schilderij Het rijk van Flora van Nicolas Poussin uit 1630 (zie de foto rechtsboven). Ze vertegenwoordigt Moeder Aarde als verleidelijke, vruchtbare vrouw. De Meibruidegom is de vegetatiegod die de bloesems bevrucht.

Bevruchting is in het plantenrijk iets anders dan zaaien. Het zaad is al in het vroege voorjaar gezaaid en ontkiemd en de vegetatie groeit en bloeit. Ook de meeste bomen en vaste planten staan in bloei, maar de bloesems zijn nog niet bevrucht. Als er verder niets gebeurt, zal de vegetatie uitbloeien en afsterven. Deze impasse werd in folkloristische gebruiken over heel Europa wel voorgesteld als de luilak die gewekt moet worden. Ook werd wel een dorre boom of stropop verbrand of in het water gegooid. De meiboom, die verderop aan de orde zal komen, is niets anders dan de levenskracht van de vegetatie die uit haar sluimering gewekt wordt.

Mei en Meiavond

Meiavond is door de eeuwen heen de gebruikelijke aanduiding geweest van het feest dat op de vóóravond van de meimaand gevierd werd. Voor de meeste heidense volkeren begon de nieuwe dag met de zonsondergang en de meimaand begon dus op de avond van 30 april. Ook was wel gebruikelijk het feest op Meidag, de eerste mei zelf, te vieren.

Meiavond werd algemeen gevierd als begin van de zomer. Als zodanig is het een tegenhanger van de feesten die het begin van de winter markeren. Terwijl de datum van het laatstgenoemde feest van plaats tot plaats kon variëren, is het begin van de zomer gewoonlijk op 30 april of 1 mei gevierd. Tekenend hiervoor is het feit dat de naam Novemberavond zelden gebruikt werd en nergens is ingeburgerd, terwijl Meiavond of Meidag in veel Germaanse talen terug te vinden is.

De naam meimaand is ontleend aan het Latijnse mensis Maius, waarschijnlijk genoemd naar de godin Maia, op wie we in het stuk over de Romeinse Meifeesten terugkomen.

Vanaf de zevende eeuw verdrong de Romeinse naam voor de meimaand in vele delen van Europa de bestaande benamingen. Zo werd in de Duitse gebieden het door Karel de Grote ingevoerde wunnimanoth vervangen door het Oudhoogduitse meio, terwijl dit in Frankrijk mai werd. In de 13e eeuw waren de Middelhoogduitse vormen meie, meije en meige ingeburgerd, terwijl de eerste dag van de maand werd aangeduid als meientac. In de 15e eeuw werd de naam van de maand afgekort tot mei of mai. De eerste mei werd daarbij tot meitac, later Maitag. Het Middelnederlandse meye werd eveneens afgekort tot mey. Daarbij werd meyenavont ingekort tot meyavont. De eerste mei zelf veranderde van meyendach in meidagh.

Met mei of meye werd vanaf de 13e eeuw ook een groene tak of boompje aangeduid. Een tak van een bloeiende appelboom (zie de foto links) of andere bloeiende vruchtboom was hier ook geschikt voor. De meitak werd voor verschillende doeleinden gebruikt. Al deze gebruiken hebben gemeen dat ze vruchtbaarheid brengen en de levenskracht activeren.

Het uitvoeren van bepaalde rituele handelingen met een meitak of meiboom werd meien genoemd. Later kreeg dit werkwoord een wat luchtiger betekenis. Het Woordenboek der Nederlandsche taal omschrijft meien als 'met meien, met groen, versieren' en ook 'voor zijn genoegen uitgaan, zich verlustigen, zich vermeien'.

In Engeland werd het vieren van het Meifeest maying genoemd, waarmee speciaal het volgens een voorgeschreven procedure halen van een meiboom uit het bos werd aangeduid.

De Romeinse aprilfeesten

De Romeinse feesten in april waren gericht op de vruchtbaarheid van Moeder Aarde, zwanger van het in haar gezaaide zaad. Tijdens de Fordicidia, een van de oudste Romeinse rituelen, op 15 april, werd, in elk van de dertig curiae waarin de Romeinse bevolking was opgedeeld, door de priesteressen van Vesta een drachtige koe geofferd aan Tellus Mater, Moeder Aarde. Het ongeboren kalf werd uit het lichaam van de koe gesneden en verbrand. Warde Fowler ziet dit als een magische handeling 'om de vruchtbaarheid op te wekken van het graan dat nu groeit in de baarmoeder van Moeder Aarde, aan wie het offer was opgedragen.' (The Roman Festivals, p 71) Het numen van het ongeboren graan wordt opgewekt door het offeren en verbranden van het ongeboren kalf.

Tijdens de Cerealia, ter ere van Ceres (zie de foto rechts) gehouden op 19 april, werd een ander offer gebracht om het numen van het ontkiemende graan op te wekken. In het Circus Maximus in Rome werden vossen losgelaten met een brandende fakkel aan hun staart gebonden.

Ceres was waarschijnlijk van oorsprong een Etruskische godin. Haar naam hangt samen met creare (scheppen, tot leven wekken) en crescere (ontkiemen, groeien). Ze is de Godin die het leven laat ontkiemen. Ze werd later vereenzelvigd met de Griekse graangodin Demeter, maar was oorspronkelijk veeleer de goddelijke kracht die het numen van het graan activeert, zodat het ontkiemt en vrucht draagt. Het in doodsangst rondrennen van de brandende vossen was bedoeld om Ceres te prikkelen en het numen van het graan te activeren.

De Parilia, op 21 april, waren erop gericht de vruchtbaarheid van het vee, dat rond deze tijd voor het eerst naar de zomerweiden ging, te bevorderen. De godin Pales, aan wie dit feest was gewijd, was voor het vee wat Ceres voor het graan betekende. De as van de ongeboren kalveren die tijdens de Fordicidia verbrand waren, werd gestrooid over het vuur dat voor de Parilia werd ontstoken. Alle deelnemers aan het feest sprongen over dit vuur, terwijl het vee door de rook werd gedreven.

De Floralia

De Romeinse aprilfeesten werden afgesloten met de Floralia, die van 28 april tot en met 3 mei werden gevierd. Het Meifeest zoals dat door de eeuwen heen in Europa is gevierd heeft veel trekken met de Floralia gemeen. Flora is een verschijningsvorm van Moeder Aarde als bloeiende vegetatie. Haar naam is afgeleid van flos, wat zowel bloem als bloesem kan betekenen.

De foto links toont Flora op een muurschildering uit Pompeii, gemaakt kort vóór de vulkaanuitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr. De godin draagt een takje in haar hand en bloemen in een plooi van haar gewaad.

Bij de Floralia gaat het niet om het esthetische aspect van de bloemenpracht, maar om de vruchtbaarheid. Bloemen zijn de geslachtsorganen van de plant. Als het mannelijk stuifmeel de vrouwelijke stempel bevrucht, wordt het vruchtbeginsel omgezet in een vrucht. Tijdens de Floralia speelden vruchtbaarheid en bevruchting een grote rol. Losbandigheid, anders streng afgekeurd, was nu toegestaan. Het loslaten van hazen en geiten in het Circus Maximus, als zinnebeeld van ongebreidelde paringsdrang, was daarvan nog het onschuldigste vermaak. De erotische benadering van Venus door Mars past goed bij de Floralia. De foto rechtsboven toont deze scene op een fresco uit Herculaneum, gemaakt kort vóór de uitbarsting van de Vesuvius in 70 na Chr.

Al in de Oudheid spraken schrijvers hun afschuw uit over naakte rituelen en orgiën tijdens het zes dagen durende feest. Cato de Jongere (95-46 v.Chr.), een behoudend republikeins staatsman, verliet geschokt het theater waar de actrices zich tijdens het mimespel uitkleedden om hun 'bloesems' aan het publiek te tonen. Pas in de derde eeuw werden deze mimespelen verboden.

Ovidius merkt wat laconiek op dat Flora het best geëerd kan worden door geilheid en dronkenschap en voegt eraan toe dat niemand zich hoeft te verbazen over het grote aantal dames van lichte zeden dat de Floralia bijwoont. (Fasti, V, 183-354) Van Flora zelf werd gezegd dat ze een hoer was die zoveel verdiend had met haar levenswijze dat ze jaarlijks geld beschikbaar stelde om de Floralia te financieren.

In werkelijkheid was Flora een belangrijke Sabijnse godin, aan wie de maand april was toegewijd. Tot 290 v.Chr. behield het Sabijnse rijk zijn zelfstandigheid, daarna ging het in het Romeinse rijk op. De Romeinse religie heeft veel elementen aan de Sabijnen ontleend.

Het verschil tussen de Floralia en de eraan voorafgaande aprilfeesten is dat de laatstgenoemde gericht waren op de groei van de nieuwe vegetatie, terwijl de Floralia de bevruchting betreffen. Tijdens de spelen die in deze tijd van het jaar in het Circus Maximus gehouden werden, bestond de gewoonte bonen en bloeiende planten tussen het publiek te gooien, samen met medaillons waarop erotische voorstellingen waren afgebeeld. Flora is de goddelijke kracht die het numen van de bevruchting activeert. Losbandigheid was een manier om de Godin daarbij behulpzaam te zijn, vooral onder het gewone volk, zoals Ovidius fijntjes opmerkt.

Door de eeuwen heen bleef Flora het symbool voor vruchtbaarheid en levenskracht. De foto rechtsboven toont een deel van het plafond van kasteel Groeneveld in Baarn. De reliëfs zijn gemaakt in 1735 door Jan van Logteren en beelden cupido's (putti) uit met een bloemenkrans op hun hoofd terwijl ze de cupido in het midden een enorme bloemenkroon van Flora op het hoofd zetten.

In de renaissance werd Flora opnieuw zeer populair. De Franse schilder Bon Boullogne (1649-1717) baseerde zich als veel anderen op de Grieks-Romeinse mythe dat Sephyros, de westenwind, de nimf Chloris, verbonden met bloemen, verleidde en haar veranderde in Flora. De foto hierboven toont een deel van het schilderij Séphyr et Flore, rond 1700-1710 gemaakt. Flora zit, haar onderlichaam bedekt door een blauwe stof, op een heuveltop. Op haar hoofd draagt ze een krans of kroon van bloemen. Half achter haar zit de gevleugelde Sephyros. Hij houdt haar linkerhand vast en ze kijken elkaar verliefd aan. Boven het paar (niet zichtbaar op deze foto) zweven gevleugelde cupido's en houden een festoen omhoog. Met haar rechterhand houdt Flora de lauwerkrans vast die een gevleugelde cupido haar op een schaal aanbiedt. Links dansen twee halfnaakte nimfen, een bloemenkrans in het haar, met Pan, herkenbaar aan zijn bokkenpoten. Midden onder speelt een gevleugelde cupido met twee witte duiven. De duiven zijn het embleem van Venus. Rechtsonder ligt een naakte vrouw met twee ongevleugelde kinderen. De manier waarop ze een doek boven haar hoofd houdt, geeft aan dat ze een godin is. Wellicht is ze Venus en symboliseren de kinderen haar vruchtbaarheid.

Beelden van Flora waren vanaf de 17e eeuw geliefd in heel Europa, met name aan de gevels of in de tuinen van herenhuizen, landhuizen en kastelen. Tussen 1671 en 1672 bouwde de architect Adriaen Dortsman in opdracht van de Vlaamse koopman Jeremias van Raey in classicistische stijl een patriciërshuis aan de Keizersgracht 672 in Amsterdam. Op de foto linksboven is de tuin en het koetshuis te zien, dat vanaf 2009 als museum is ingericht. De gevel is zoals door Dortsman is ontworpen, maar de beelden zijn er tijdens een restauratie in 1774-1775 bij geplaatst. Links van de deur naar het koetshuis houdt Silenus het kindje Dionysos/Bacchus in zijn armen. Rechts van de deur is een beeld van Flora geplaatst. Zie de foto rechtsboven voor dit detail. Op haar hoofd draagt de godin een bloemenkrans. In haar linkerhand houdt ze een andere bloemenkrans. Met haar rechterhand schudt ze bloemen uit haar gewaad.

De foto linksboven toont Flora op de gevel van een huis in de Rue Amiens in Rouen, Frankrijk. De gevel is in de 20e eeuw herbouwd, maar 8 beelden van godheden en de vier elementen uit de 16e of 17e eeuw eeuw zijn gerestaureerd en aan de nieuwe gevel teruggeplaatst. Flora houdt een grote hoorn van overvloed vast, gevuld met vruchten. Op haar hoofd een krans of kroon van bloemen en bladeren.

Rond 1715 maakte de beeldhouwer Balthasar Permoser in opdracht van keurvorst August de Sterke voor het paleis Zwinger in Dresden een groot aantal beelden. Op de tweede foto van links Flora met een bloemenkrans op het hoofd en in haar linkerhand. Op het voetstuk beeldde Permoser een Groene Man uit - een van de vele Groene Mannen in de Zwinger.

Voor tuinbeelden van Flora werd soms gekozen voor een buste. Voor de tuin van buitenplaats Herteveld aan de Vecht in Maarssen maakte Michiel Emanuel Shee tussen 1725 en 1750 borstbeelden van Diana en Flora. Rechtsboven het borstbeeld van Flora, een bloemenkrans op haar hoofd.

Ook voor sieraden en kunstvoorwerpen werd vaak gekozen voor Flora. Op de tweede foto van rechtsboven een porseleinen beeld van Flora, in 1796 door J.D.Schöne en Ch. G. Jüchtzer gemaakt voor porseleinfabriek Meissen.

Flora werd gezien als brengster van vruchtbaarheid en overvloed. Ze werd ook beschouwd als een welwillende godin, in wier handen men graag zijn of haar lot legde. De foto's links laten zien hoe Flora werd gebruikt als roerkop, het uiteinde van de balk waarmee men het roer van een schip bediende. Het scheepvaarmuseum in Amsterdam heeft hier verschillende voorbeelden van tentoongesteld. De blote borsten van de godin geven haar vruchtbaarheid aan. Op haar hoofd een krans van bloemen, bladeren en vruchten. Onder haar borsten het stadswapen van Deventer met in een schild de rijksadelaar van het Duitse Keizerrijk.

De Romeinse Meiviering

De Floralia waren de belangrijkste Romeinse feesten bij de overgang van de maand april naar mei. Maar in mei werden naast Flora nog twee andere godinnen vereerd en wel Maia en Bona Dea.

Maia was een van de oudste Romeinse godinnen, verbonden met vruchtbaarheid en groei. De maand mei (Latijn: Maius) is naar haar genoemd. De naam Maia ('Zij die groot is') is verwant met magnus (groot), majestas (grootheid) en maximus (grootste) en gaat uiteindelijk terug op een Indo-Europese wortel *meg, die 'groot' betekende. Mei is de maand van de Grote Godin, die alles weer laat groeien en bloeien.

Aanvankelijk werd Maia geassocieerd met de Romeinse vuurgod Vulcanus. Later werd Vulcanus gelijkgesteld aan de Griekse Hephaistos, de echtgenoot van Aphrodite. In de mythen kreeg Vulcanus daarom Venus als echtgenote. In het tinnen reliëf op de foto linksboven, gemaakt door George Raphael Donner in 1735, bezoekt Venus haar echtgenoot Vulcanus om hem te vragen wapens te maken voor haar zoon Aeneas.

In de Romeinse feesten in de maand mei werd Maia echter nog gekoppeld aan Vulcanus. Op de eerste mei werd een drachtige zeug geofferd aan Maia door de flamen Volcanalis, de priester van Vulcanus. Op 15 mei was eveneens een aan Maia gewijd feest. Op 23 mei werden zowel Maia als Vulcanus vereerd met rituelen en offers tijdens het Tubilustrium, waarbij trompetten werden geblazen en een lam werd geofferd.

De eerste mei was ook gewijd aan Bona Dea, de godin wier rituelen uitsluitend door vrouwen mochten worden bijgewoond. Haar tempel op de Aventijn, een van de zeven heuvels van Rome, op oorspronkelijk Sabijns gebied, werd met bloemen en groene takken versierd. Wat zich precies in de tempel afspeelde tijdens de rituelen op 1 mei is nooit onthuld, maar zeker is dat de priesteressen en alle andere aanwezigen na het brengen van een brandoffer deelnamen aan een extatische dans, waarbij rijkelijk wijn werd gedronken.

Net als bij de Floralia werden aan vrouwen tijdens het feest voor Bona Dea vrijheden toegestaan die anders afgekeurd of bestraft zouden worden. Hoewel mannen strikt geweerd werden, waren beide geslachten vertegenwoordigd door de slangen die in de tempel van de godin werden gehouden. Voor de Romeinen was de slang een symbool voor de genius, het onsterfelijke deel van een man, en de juno, het onsterfelijke deel van een vrouw.

H.H.J.Brouwer wijst in zijn boek Bona Dea op afbeeldingen van de godin met twee slangen waarvan de ene een baard en kam heeft. In veel Romeinse woningen zijn afbeeldingen van dit slangenpaar aangetroffen. "Ze vertegenwoordigen," zegt Brouwer, "de genius en de juno van de heer en de vrouw des huizes." (p 344) Na de dood van een man verandert zijn genius in een lar, net als de juno van een vrouw dat doet. De lares waren voor de Romeinen symbool voor onsterfelijkheid en vruchtbaarheid. Bona Dea werd bijna altijd met een of twee slangen en met een hoorn van overvloed afgebeeld. De extase van dans en drank was een manier om de levenskracht die de godin vertegenwoordigde te activeren.

Op een marmeren beeld (zie de foto rechts), gevonden in Marsciano, niet ver van Perugia in Italië, gemaakt in de 3e eeuw na Chr., is Bona Dea afgebeeld met in haar linkerhand een hoorn van overvloed. Om haar rechterpols kronkelt een slang die ze uit een schaaltje in haar hand te eten geeft. De kroon op het hoofd van de godin geeft haar hoge status aan.

De uitbundige en erotisch getinte viering van de eerste mei in Rome staat in schril contrast tot de rest van de maand die vooral op de dodencultus en de onderwereld betrekking had. Zo waren de Lemuria, 7-15 mei, gewijd aan de lemures, vooroudergeesten die de mens zelden goedgezind zijn. Rond het begin van onze jaartelling waren de Lemuria in onbruik geraakt, ten gunste van de Parentalia in februari, maar de onheilspellende bijklank van de meimaand bleef nog lang hangen. Zo werd het sluiten van een huwelijk in mei sterk afgeraden. Dit gold overigens vooral voor de eerste helft van de maand.

Op de Ides, 15 mei, werden de rietpoppetje die op 17 maart in de Argeï (zie het stuk over het Lentefeest) waren opgehangen, hieruit gehaald en in de Tiber geworpen. Hiermee werden de lemures, die geacht werden zich in de poppetjes op te houden, door een rituele handeling uit de stad verdreven. Tegelijk is het een handeling om de dorre winter (stro of riet) te verdrijven en de nieuwe vegetatie door water vruchtbaar te maken.

Het Keltische Beltane

De Kelten splitsten, zoals gezegd, het jaar in een zomer- en een winterhelft. Het begin van de zomer is vooral bekend geworden onder de naam Beltane, hoewel er talloze varianten als Beltine, Belltaine en Bealtuine hierop in de verschillende Keltische gebieden in omloop waren. In het Iers is Bhealtaine nog steeds de naam van de maand mei en wordt het feest op de eerste dag van de maand aangeduid als Bealtaine (spreek uit: bjoltinne). In het Schotse Gaelic heeft Màigh de oudere inheemse naam voor de meimaand verdrongen, maar de eerste mei heet nog steeds Latha Bealltainn. In het Manx, de in de loop van de twintigste eeuw uitgestorven Keltische taal van het eiland Man, werd de meimaand Boaldyn en de eerste mei Laa Boaldyn genoemd.

De oudste vermelding van het feest is te vinden in de Sanas Chormaic, een verklarende woordenlijst van Iers-Keltische begrippen die rond het jaar 900 door Cormac van Cashel werd samengesteld. De lijst verklaart Beltine als 'vuur van Bel' (tine is Gaelic voor vuur) en licht toe dat het vee op deze dag tussen twee vuren door gedreven werd. Bel of Bial wordt in de woordenlijst een afgod genoemd, zonder enige aanduiding van zijn aard of herkomst.

Ronald Hutton oppert in The Stations of the sun (1996), p 218, dat Cormac zich baseerde op de bijbelse Baal als prototype voor de heidense afgod. Een Keltische god Bel of een verband met de Gallische Belinus wijst Hutton als onbewezen van de hand. Andere wetenschappers, zoals Anne Ross en Graham Webster, zijn hier minder strikt in. Voor ons doel is het niet nodig ons in deze discussie te begeven.

Het Beltanevuur is in vele latere beschrijvingen van Meifeesten op de Britse eilanden terug te vinden. Vaak wordt met Beltane het needfire (zie de pagina over het Lentefeest) ontstoken, zoals dat op het continent meestal bij het Lentefeest gedaan werd. In Schotland werd dit vuur teineigin (gedwongen vuur) genoemd. Alle vuren in het land werden met Beltane gedoofd, waarna het teineigin door wrijving van snel ronddraaiend hout werd ontstoken.

In Balder the Beautiful: the fire-festivals of Europe, het tiende deel van The Golden Bough, heeft James Frazer de Beltanevuren uitgebreid beschreven. In Wales werd het Beltanevuur, coelcerth genaamd, ontstoken door twee stukken eikenhout over elkaar te wrijven. Hiermee werd een bundel van negen verschillende houtsoorten aangestoken. De magische betekenis van het negenderlei hout hebben we al eerder aangeroerd. Op verschillende plaatsen werd een blok hout van het oude Beltanevuur het hele jaar bewaard en het volgend jaar gebruikt bij het doen ontbranden van het nieuwe vuur. De as van het vuur werd eveneens bewaard om de kracht van het Beltanevuur het hele jaar tot je beschikking te hebben en te kunnen gebruiken bij oogsten, zaaien, het maken van amuletten en andere magische doeleinden.

In Schotland werd tot de negentiende eeuw bij loting een Beltane Cailleach ('oude vrouw') gekozen. Daartoe werd in het Beltanevuur een bannoch bealtainn gebakken, een grote, ronde cake met eieren. De cake werd in stukken gesneden en onder de aanwezige mannen uitgedeeld. Een van de stukken zag er anders uit en de man die dit stuk kreeg, was de Beltane Cailleach. In het Engels werd hij Beltane Carline genoemd. Een deel van de feestvierders had als opdracht hem in het Beltanevuur te duwen, terwijl de rest dit moest verhinderen.

Het is een variant op de luilakgebruiken in de rest van Europa. Carline betekent niet alleen ouw wijf of heks, maar ook distel. In ons land werd de Luilak in de brandnetels, klissen of distels gegooid en daarom ook wel Klissenboer genoemd. De Carline is, net als de Luilak, de afstervende oude vegetatie, waarvan de levenskracht door het vuur weer gewekt wordt. Vaak werden oude bezems of stro in het vuur aangestoken en zo ver mogelijk omhoog gegooid. Dit werd het verbranden van de heks genoemd. Kleine bannochs worden op veel plaatsen nog steeds van een heuvel afgerold. Als afsluiting van het Beltanefeest sprong de Carline driemaal over het vuur.

Andere Beltanegebruiken in de vorm van meiboom en meibruid komen verderop ter sprake bij de betreffende onderwerpen. Ook op het meivuur en de luilak komen we nog terug.

Vaak is moeilijk uit te maken of bepaalde gebruiken Keltisch zijn of uit andere bronnen zijn toegevoegd. Het probleem is dat de Keltische beschaving bijna duizend jaar heeft bestaan, van de vijfde eeuw v.Chr. tot de vierde eeuw na Chr., terwijl de meeste beschrijvingen van Beltanegebruiken van ver na de tiende eeuw dateren. Door hedendaagse auteurs worden vaak elementen van jaarfeesten aan de Kelten toegeschreven die ook bij andere Indo-Europese volkeren te vinden zijn. Een typerend voorbeeld is John Matthews, die in The Celtic Shaman opmerkt: 'Restanten van vele Keltische Meigebruiken zijn nog in overvloed te vinden in Brittannië en Ierland, waar dorpelingen nog steeds meikoninginnen kiezen en rond meipalen dansen.' (p 39) In feite zijn beide gebruiken allerminst specifiek Keltisch te noemen en komen ze ook voor in, bijvoorbeeld, Germaanse, Slavische en Baltische gebieden.

Walpurgisnacht

In de Germaanse landen, met name bij de Saksers, werd de nacht van 30 april op 1 mei traditioneel gezien als het huwelijk van Wodan en Freya. Of dit Heilig Huwelijk bij de heidense Germanen op rituele wijze werd voltrokken, is niet bekend. In deze nacht werden heksen verondersteld op hun bezem naar de Blocksberg, de Brocken en nog vele andere verzamelplaatsen te vliegen.

De naam Walpurgisnacht is ontleend aan Sint Walpurgis, ook wel genaamd Warpurg, Walburga of Wilburger, een van de Angelsaksische nonnen die Bonifatius ondersteunde bij zijn missiewerk in Duitsland. Samen met haar broer Winnibald leidde ze een dubbel klooster bij Heidenheim in Zuid-Duitsland. Gewoonlijk wordt als haar sterfdag 25 februari 779 aangenomen, maar in feite is niets zeker over haar leven of dood. De eerste die iets over haar opschreef was haar biograaf Wolfhard von Herrieden en dat was in 895. Wolfhard beschreef haar als iemand die wonderen verrichtte en mensen genas. Ook na haar dood deed ze nog wonderen. Toen haar beenderen in 870 naar Eichstadt werden overgebracht om naast die van haar broer begraven te worden, druppelde medicinale olie uit de kalksteen waarop haar graftombe rustte. Deze Walpurgisöl wordt nog steeds jaarlijks uit de kalksteen gewonnen en aan de gelovigen verkocht. Alleen haar borstbeen bevindt zich overigens nog in Eichstadt. In 893 werden de overige delen van haar relikwieën overgebracht naar het Rijnland, Vlaanderen en Frankrijk, waarna haar cultus zich ook over deze streken verspreidde.

In Frankrijk wordt de Walpurgisnacht nog steeds Veille de la Sainte Vaubourg genoemd. In Frankrijk was de heilige ook bekend als Waubourg, Falbourg en Gauburge. Naast de verspreiding van de vele vormen van haar naam blijkt het belang van deze heilige ook uit het feit dat ze vaak met een kroon op haar hoofd werd afgebeeld.

In 1870 publiceerde E.L.Rochholz zijn boek Drei Gaugöttinnen, waarin hij o.a. betoogde dat Walpurgis de christelijke versie van een Germaanse graangodin was. Wilhelm Mannhardt, op wie we in het stuk over de meiboom nog terugkomen, zette deze theorie in een breder kader in zijn overzicht van de Europese en klassieke Wald- und Feldkulte (1875). Mannhardt zag Walpurgis als een variant van de vegetatiegeest, die met de vruchtbaarheid van het graan verbonden werd. Bij het oogsten werd deze vegetatiegeest geacht zich terug te trekken in de laatste halmen. In bepaalde streken werd de geest of demon als mannelijk beschouwd, maar vaker werd de geest als een oude vrouw voorgesteld, die als het Olle Wief, of een vergelijkbare naam, werd aangeduid.

Vanaf de elfde eeuw werd Sint Walpurgis afgebeeld met drie graanhalmen in haar hand. In volkverhalen werd gezegd dat ze eens in de oogsttijd op de vlucht was en door een boer in de laatste garf werd verstopt om aan haar achtervolgers te ontkomen. De volgende dag waren de graankorrels van deze garve in goud veranderd.

In Niederösterreich en Bohemen werden de 9 nachten die aan de eerste mei voorafgingen Walpurgisnächte genoemd. In deze nachten lieten de dorpelingen een raam open, omdat mogelijk Walpurgis langkwam en in huis beschutting zocht voor haar achtervolgers. Als dank zou ze dan wellicht een goudstuk achterlaten.

Verhalen over heksen die op Meiavond op een bezem, geit of ander dier vliegen waren in de late middeleeuwen en renaissance erg populair. In het Museum voor Hekserij en Inquisitie in Ronda, Spanje, toont de afbeelding links een naakte heks die op een geit vliegt, terwijl monsters of demonen toekijken.

Niet altijd was het beeld van Meiavond zo negetatief. In The Goddess obscured komt Pamela Berger tot de conclusie dat Walpurgis 'een rol vervulde analoog aan de rol die voorheen de Moedergodin van het graan vervulde'. (p 64) Dit heeft te maken met zaaien, bevruchten en oogsten van het graan. De officiële naamdag van Walpurgis is 25 februari, in de tijd dat het graan wordt gezaaid. De bevruchting van veel bloeiende gewassen vindt rond Walpurgisnacht plaats, al zijn er natuurlijk grote verschillen naar soort en klimaat.

Oorspronkelijk was de eerste mei gewijd aan de apostel Philippus, waar de apostel Jacobus de Mindere al snel aan toegevoegd werd. Beide heiligen spraken echter weinig tot de verbeelding voor een zo belangrijke dag. Onder het voorwendsel dat op 1 mei haar gebeente zou zijn overgebracht naar Eichstätt vierde het gewone volk vanaf de 9e eeuw Walpurgisnacht op 30 april.

In het Walpurgisvuur werd vaak stro verbrand, een handeling die de kracht van de vorige oogst op de nieuwe gewassen moest overbrengen. Dat Walpurgis ook bij de oogst een rol speelde, maken de al genoemde oogstgebruiken duidelijk. Pamela Berger ziet het verbergen van Walpurgis in het laatste graan als een dichterlijke voorstelling van het gebruik om na de oogst een afbeelding van de Graangodin te vormen uit de laatste halmen. In het artikel over Lammas komen we uitgebreider op deze graanpoppetjes terug.

Van meimaand tot Mariamaand

Walpurgis en Brigitta (zie het artikel over Imbolc) zijn voorbeelden van heiligen die de verering van een heidense graangodin hebben gekerstend. Ook Maria heeft in dit opzicht veel naar zich toe geschoven gekregen. Vaak werd ze als beschermvrouwe van het graan of van de oogst voorgesteld. In Frankrijk werd ze Notre Dame de trois épis (O.L.V. van de drie graanhalmen) genoemd.

In breder verband werd Maria gezien als beschermvrouwe van de vruchtbaarheid in de natuur, zoals die zich met name in de meimaand uit. Daarbij werd de tekst van het Hooglied, waarin de bruid een lelie tussen de distelen en een appelboom onder de bomen van het woud wordt genoemd, uitdrukkelijk op de Heilige Maagd betrokken. Op deze wijze werd geprobeerd de verering voor Flora, Maia, Ceres en andere heidense Godinnen te kerstenen.

De foto links toont de Maagd Maria en het kindje Jezus, staand op de maansikkel, het oeroude symbool voor de Godin en omringd door vegetatie. Het beeld is gemaakt in 1881 voor de Willibrorduskerk in Utrecht, maar dergelijke afbeeldingen waren in de middeleeuwen ook al gebruikelijk.

Alfonso X, van 1252 tot 1284 koning van Castilië, deed niets anders dan zich aansluiten bij een rijke traditie toen hij het meilied Ben vennas, Mayo (welkom, mei) aan de Heilige Maagd opdroeg. Maria is in dit lied de genadevolle lente die na de strenge winter met bloemen en groene bladeren verwelkomd wordt. In Toulouse werden sinds de 14e eeuw tijdens de Provençaalse Bloemenspelen op 1 mei gedichten voorgedragen die een lofzang op de Heilige Maagd moesten bevatten, wilde men niet van deelname worden uitgesloten.

In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond vanuit Italië de gewoonte de gehele meimaand aan de Heilige Maagd te wijden. In de kerk werd een meialtaar ingericht met bloemen en groene takken. Rond 1850 waren vrijwel alle katholieke kerken in Nederland van een meialtaar voorzien, terwijl in talloze huizen een klein meialtaar werd ingericht.

De aanname van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis in 1854 gaf de Mariaverering een nieuwe impuls. Talloze brochures over het vieren van de Mariamaand verschenen in vele talen om missionarissen de gelegenheid te geven overal op de wereld de heidense meivieringen te vervangen door een Mariaverering. Slechts enkele landen op het zuidelijk halfrond, waar mei het begin van de winter of de regentijd is, hebben een andere periode gekozen als Mariamaand.

Veel liederen voor de Mariamaand werden gecomponeerd, waarvan Maria Maienkönigin in Duitsland lange tijd zeer populair was. Het tijdvak 1850-1950 wordt wel aangeduid als de Eeuw van Maria. Toen de Encycliek Mediator Dei in 1947 richtlijnen gaf voor het in de huiselijke kring vieren van de Mariamaand, was de verering van de Moeder Gods al over haar hoogtepunt heen.

De meiboom

Door de eeuwen heen heeft de meiboom overal in Europa een grote rol gespeeld in het Meifeest. In Wald- und Feldkulte (1875) gaf Wilhelm Mannhard (1831-1880), gespecialiseerd in Duitse literatuur en geschiedenis, het meest uitgebreide overzicht van gebruiken in heden en verleden dat tot dat moment was verschenen. Daartoe deed hij een literatuuronderzoek en verzond hij 150.000 vragenlijsten over heel Europa, het eerste voorbeeld van een grootschalig stelselmatig onderzoek op dit gebied. Tweeduizend van deze lijsten kwamen ingevuld bij Mannhardt terug. Hoewel Mannhardt zich in zijn verklaringsmodel beperkt tot vegetatiegeesten en de onpersoonlijke kracht of numen buiten beschouwing laat, is zijn studie van onschatbare waarde voor het begrijpen van de centrale plaats die de meiboom zowel op het platteland als in de stad innam.

In The golden bough besteedt James Frazer veel aandacht aan de meiboom in de verschillende Europese landen. Net als Mannhardt, aan wie hij veel ontleend heeft, richt Frazer zich uitsluitend op persoonlijke vegetatiegeesten. Het theoretisch kader van The golden bough is door de wetenschap halverwege de 20e eeuw verworpen, maar de gebruiken rond de meiboom spreken voor zich.

Afbeeldingen van meibomen werden in de 17e eeuw populair, waarschijnlijk door een heropleving van de gebruiken rond de meiboom. In 1635 maakte Pieter Brueghel de Jonge het schilderij Dans rond de meipaal. De foto rechtsboven toont de cover van het boek The magical universe met het schilderij Feest om de meiboom dat Salomon van Ruysdael rond 1669 maakte. De afbeelding laat een meiboom zien bij de kerk van Alkmaar. Dergelijke meibomen zijn in ons land vooral in Limburg nog te vinden. In 1990 fotografeerde Joke de meiboom van Valkenburg. Zie de foto linksboven.

In De volksvermaken (1871) geeft Jan ter Gouw een overzicht van Nederlandse gebruiken rond de meiboom. Daarin geeft hij een afbeelding van rond een meiboom dansende mannen en vrouwen, gebaseerd op een afbeelding van Adriaan van de Venne (1589-1662). Zie de foto links.

Hieronder zullen we de belangrijkste evenementen rond de meiboom uiteenzetten. Hoewel we daarbij de tegenwoordige tijd aanhouden, zijn veel gebruiken vanaf de 18e eeuw langzaam schaars geworden en op veel plaatsen verdwenen. Aan de andere kant worden soms oude gewoonten in ere hersteld. De meiboom die Joke in 2014 in Baarlo (Limburg) fotografeerde (zie de foto rechts) wordt daar vanaf 1 mei 1997 jaarlijks neergezet door de plaatselijke 1 Mei Vriendenclub. Een toelichting van de club op de boom vermeldt: 'De meiboom is een versierde boomstam die op 1 mei of begin mei wordt opgericht. Dit bijzondere gebruik is in vele delen van Midden- en Noord-Europa verbreid. De meiboom verbeeldt in cultische oorsprong de lente en de vruchtbaarheid. De gevlochten meikrans in de top symboliseert leven en gezondheid.'

Gewoonlijk wordt een meiboom volgens een bepaalde ceremonie op Meiavond uit het bos gehaald. Dit kan een den, spar, berk, wilg, meidoorn, es of eik zijn, al naargelang de gewoonte in een bepaalde streek. Het omhakken, verslepen en oprichten van de boom is een zaak waarbij de hele leefgemeenschap betrokken is, een plechtige gebeurtenis, waarvoor men zich feestelijk kleedt: 'De jongelingen in 't zondagspak, en de meisjes in 't wit met kransen om 't hoofd en bloemen op de borst,' aldus Ter Gouw (p 135).

Meestal is er een comité dat jaarlijks de organisatie op zich neemt. Soms heeft een meigraaf de leiding, bijgestaan door meiknechten.

Het onderste gedeelte van de boom wordt van zijn takken en vaak ook zijn bast ontdaan. In bepaalde streken worden slangen en andere figuren uit de bast gesneden. Alleen in de top laat men de groene takken zitten. Aan de kruin worden linten gehangen, vaak rode en witte, soms aan een hoepel, soms aan de stam zelf bevestigd. Gewoonlijk worden bloemen en vruchten in de boom gehangen, vaak ook allerlei lekkernijen en begerenswaardige voorwerpen, die er tijdens wedstrijden door behendige klauteraars uitgehaald moeten worden.

Meestal wordt van een meiboom (may tree, Maibaum) gesproken, soms van een meipaal (maypole, Maistange). Een meiboom heeft meestal nog een deel van de kruin met groene bladeren, terwijl een meipaal deze niet meer heeft. De meiboom is echter nooit een boom die gewoon op zijn plaats in het bos of op het dorpsplein blijft staan. Het vellen en vervoeren van de meiboom is een essentieel onderdeel van het Meifeest. De levenskracht van de boom wordt door de rituele handeling van het omhakken en verslepen opgewekt. De boom wordt daardoor heilig in de oorspronkelijke zin van het woord: geladen met kracht. Door om de boom heen te dansen kun je deze levenskracht aanwakkeren. Door de boom te stelen voordat hij wordt neergezet, kun je de kracht vergroten.

In het Limburgse Schinveld wordt half april een Meiden gekapt door de Jonkheid, een comité van 35 ongehuwde jongemannen. De boom wordt van zijn onderste takken ontdaan en verstopt in het bos. Een ander comité, gevormd door 45 gehuwde mannen, zoekt de boom op en versleept deze op de schouders naar een andere geheime plaats. De Jonkheid moet de boom dan weer opsporen en opnieuw verstoppen. Op deze manier is de boom een aantal malen van eigenaar veranderd voordat hij op Meiavond tenslotte op het dorpsplein wordt neergezet door de groep die hem op dat moment in bezit heeft. Na een maand wordt de boom bij opbod verkocht. Dit bieden is een manier om de kracht van de boom nog verder aan te wakkeren. Door de boom tenslotte te verkopen wordt de kracht hiervan losgemaakt zodat deze vrijkomt.

Ook de paasstaak in Denekamp wordt, zoals gezegd in het stuk over Ostara, na het feest bij opbod verkocht. In het Limburgse Noorbeek wordt op de tweede zaterdag na Pasen door de Jonkheid, een comité vergelijkbaar met dat in Schinveld, de zogeheten Brigida-den uit het bos gehaald en op het dorpsplein naast de kapel van Sinte-Brigida neergezet. In het artikel over Imbolc hebben we Brigida al genoemd. De verering van deze heilige werd door Ierse missionarissen naar ons land gebracht. De oudste vermelding van de boom in Noorbeek dateert uit 1634, maar waarschijnlijk is het gebruik veel ouder. De Brigidaboom blijft het hele jaar op het plein staan en wordt dan op Tweede Paasdag door de Jonkheid bij opbod verkocht om plaats te maken voor de nieuwe boom.

De meiboom wordt vrijwel altijd op een centrale plaats opgericht. Dit kan het dorpsplein zijn, maar vaak wordt gekozen voor een licht glooiende heuvel of wordt speciaal voor dit doel een heuvel aangelegd, zodat de boom goed zichbaar is en men er toch omheen kan dansen. Gewoonlijk wordt hand in hand om de boom een reidans of spiraaldans uitgevoerd.

Ook wel houdt elk van de dansers een van de lange aan de boom bevestigde linten vast. Daarbij gebruikt men als regel rode en witte linten en worden de dansers in twee groepen verdeeld waarvan de ene de linten tijdens de dans widdershins (tegen de klok in) om de paal heen draait, terwijl de andere groep dit deosil (met de klok mee) doet. In 1836 werd in Londen het toneelstuk Richard Plantagenet van de schrijver J.T.Haines opgevoerd. Daarin werden op ingenieuze wijze rode en witte linten om een meipaal gevlochten. Dit sprak iedereen zo aan dat rond 1880 op vrijwel alle meifeesten in Engeland de linten op deze manier om de meipaal werden gevlochten. Waarschijnlijk heeft de regisseur van het stuk van Haines zich gebaseerd op een oudere volkstraditie, maar het is duidelijk dat het to-neelstuk dit gebruik in de loop van de 19e eeuw populair heeft gemaakt.

Wij hebben het opgenomen in onze Meiviering en iedereen is na afloop van het ritueel altijd verbaasd dat zoveel schijnbaar chaotische bewegingen zo'n mooi resultaat kunnen opleveren. Bij de beschrijving van het ritueel zal duidelijk worden gemaakt hoe het vlechten in zijn werk gaat.

Soms wordt de meiboom in het meivuur verbrand, maar meestal blijft hij nog enige tijd overeind. In Frankrijk en Oostenrijk wordt hij in het midzomervuur verbrand. In andere landen blijft hij vaak staan tot hij het volgend jaar door een nieuwe boom vervangen wordt.

De kerk veroordeelde het Meifeest als losbandig en zag de reidansen rond de meiboom als een overblijfsel van heidense rituelen, maar het bleek niet mogelijk het meifeest simpelweg te verbieden. In een poging de meiboom dan maar te kerstenen, werd gezegd dat de boom het kruis van Christus symboliseerde. In de 16e eeuw was in de Zuidelijke Nederlanden het door dichteres Anna Bijns (1494-1575) geschreven Maylied van de Seven Sacramenten populair, waarvan elk koeplet eindigde met: 'Looft den Heere met desen soeten Meye!'.

In de 18e en 19e eeuw raakte, al dan niet door toedoen van de kerk, op veel plaatsen het oprichten van een meiboom in onbruik. Soms liet men de boom jarenlang staan waar hij was neergezet en hing men er op Meiavond alleen wat groene takken of andere versiering in. Hier en daar, in ons land met name in Zuid-Limburg, heeft het gebruik elk jaar een meiboom op te richten zich weten te handhaven.

Zoals gezegd is de meiboom plaatselijk terug van lang weggeweest. Maar soms lijkt de meiboom niet meer dan een symbool voor feesten en alcoholgebruik. In Oisterwijk (Brabant) vonden we een paal met bierreclame die was opgetuigd als meipaal. Zie de foto linksboven. We twijfelen niet aan de goede bedoelingen van de 1 Mei Vriendenclub in Baarlo, maar deze club is opgericht door aan het Meiboomplein gelegen Café Centraal. Zie de foto rechtsboven.

De liefdemei

Naast de grote meiboom, die voor en door de hele leefgemeenschap werd opgericht, bestond door de eeuwen heen de gewoonte een klein boompje in de meinacht in de tuin van de geliefde te planten. Vaak werd het boompje of de tak versierd met linten, bloemen of vruchten.

Bretonse jongeren hadden de gewoonte een meiboompje met een bloemenkroon te tooien en op te hangen aan de voordeur van het huis waar de geliefde woonde. Daarvoor werd ook wel een bloeiende kersen- of perziktak gebruikt. Elders werd een boompje of tak aan het slaapkamerraam van de geliefde gehangen of aan de schoorsteen bevestigd. Soms kon het meisje alleen maar raden wie haar stille aanbidder was, soms maakte hij zich wel bekend. In de omgeving van Praag was gebruikelijk je naam in de liefdemei te kerven, wat dan als een liefdesverklaring werd opgevat.

Op veel plaatsen werd een vurig gedicht aan de mei bevestigd. Al even gebruikelijk was het een serenade te brengen bij het aanbieden van de mei. In 1612 verbood het stadsbestuur van Amsterdam het planten van meien "op pene van gegeesselt te worden". Als reden voor het verbod werd behoud van het stadsgroen, "cieraat ende plaisantie dezer Stede", aangevoerd. Dit was afdoende om het gebruik in de hoofdstad uit te roeien. In de dorpen en op het platteland bleef het gebruik langer bestaan.

Het meibruidspaar

In het Meifeest speelt de bevruchting een grote rol. Zonder bevruchting geen graan, geen vruchten aan de bomen of op de akkers. Naar analogie van dit biologisch verschijnsel speelt in het Meifeest de menselijke bevruchting en alles wat daarmee samenhangt ook een rol. Dit verklaart de losbandigheid die vanouds met het Meifeest verbonden werd.

De puriteinse schrijver Phillip Stubbes gaf in zijn in 1583 gepubliceerde Anatomie of abuses een beschrijving van het binnenhalen van de meiboom in de Meinacht. Van alle maagden die daaraan meededen, zegt Stubbes vol afschuw, keerde nauwelijks een derde deel onbezoedeld uit het bos terug.

Hoewel Stubbes eerder zijn eigen fantasie dan de feiten gevolgd zal hebben, was de heimelijke ontmoeting van de geslachten in de Meinacht geen uitzondering. In Engeland werd dit een greenwood marriage genoemd. Toch werd de eenwording van de geslachten gewoonlijk wat subtieler uitgebeeld, meestal in de vorm van een bruiloft. In heel Europa is door de eeuwen heen het Meifeest opgeluisterd met een Meibruid en een Meibruidegom. Ze vertegenwoordigen de levenskracht die wordt opgewekt waar man en vrouw een eenheid worden.

Door de Synode van Worcester werd in 1240 het kiezen van een koning en koningin tijdens de meispelen veroordeeld. In deze meispelen werd Robin Hood soms uitgedost als King of May terwijl hij Maid Marian als Queen of May tot zijn bruid kreeg. Een verslag van een kerkelijke magistraat uit 1557 beschrijft een maygame in Londen waarbij Morrisdansers de rondrit van de Lord and Lady of the May opluisterden. In de regeringsperiode van Elizabeth I (1558-1603) ontpopten de Morrisdansers zich als de meest populaire volksdansvorm in Engeland en tot het eind van de 19e eeuw hebben ze die positie behouden. In deze dansen, door Stubbes aangeduid als 'the Devil's Dance', speelden Robin Hood en Maid Marian gewoonlijk een rol als bruidspaar. Daartoe had een man zich als bruid verkleed, net als vrouwenrollen in het Elizabethaanse toneel door mannen gespeeld werden. In de loop van de 20e eeuw werden veel nieuwe Morris Dansers-gezelschappen gevormd, ook in Nederland. In Grenoble (Zuid Frankrijk) wordt nog steeds de Roi et Reine de la Mai gekozen. In Schinveld kiest de Jonkheid nog steeds jaarlijks uit de ongehuwde Schinvelders een Meikoning en een Meikoningin, die tijdens het Meifeest in een met bloemen versierde koets worden rondgereden. Ook elders in Zuid-Limburg wordt nog steeds een Meikoning en -koningin gekozen.

Overal in Europa werden door de eeuwen heen met Pinksteren wedstrijden gehouden, waarbij vaak naar de meiboom toe gerend of te paard gereden moest worden. De eerste die de meiboom bereikte werd uitgeroepen tot Meikoning of Pinksterbruidegom. Vaak had hij het recht een bruid of koningin te kiezen. Soms waren voorwerpen bovenin de meiboom gehangen en werd diegene koning of bruidegom die ze eruit wist te halen. Ook werd wel als wedstrijd te paard rond de akkers gereden. Boogschieten, kranssteken en andere sporten werden op veel plaatsen in Europa tijdens het Meifeest of met Pinksteren beoefend om uit te maken wie de Meikoning voor dat jaar zou worden.

Niet alleen wordt hiermee vastgesteld wie de sterkste of behendigste is; belangrijker is dat al deze handelingen de levenskracht opwekken die nodig is om de natuur vrucht te laten dragen. Op veel plaatsen was het de gewoonte de Meibruid en -bruidegom rond te leiden en overal aan te bellen of aan te kloppen om geld, drank en voedsel op te halen. In wezen is dat een rituele handeling om de kracht van bruid en bruidegom op te wekken.

In de loop der eeuwen zijn veel gebruiken rond de meibruiloft veranderd omdat hun betekenis in een christelijke en verstedelijkte samenleving niet meer begrepen werd. Vaak verdween de bruidegom en bleef alleen de Meibruid of Pinksterbruid over. De foto linksboven laat de traditionele kleding voor een Pinksterbruid zien in het Etnografisch Museum in Boedapest. Het museum liet eveneens een oude foto zien (zie foto midden boven) waarop Pinksterbruiden op deze manier zijn aangekleed.

In Nederland zijn Pinksterbruiden zeldzaam geworden. In 2000 spotten we er een op de markt van Den Burg op Texel, die wel voor ons wilde poseren.

Het rondgaan met de Pinksterbruid of Pinksterblom, zoals ze in Noord-Holland heette, werd in de loop van de 19e eeuw steeds meer een spel waarmee kinderen zich vermaakten. De Pinksterblom was gewoonlijk een meisje van een jaar of twaalf in haar mooiste jurk, omhangen met bellen en linten en een grote beugeltas in de hand, waarin de giften konden worden gedaan. Een grote krans van groene takken en bloemen, de pinksterkroon, werd meestal door twee andere meisjes boven haar hoofd gehouden. Maar de Pinksterbruid die we op Texel zagen, was alleen.

Meiliefsten

In verschillende landen bestond het gebruik op Meiavond, of daaraan voorafgaand, paren te koppelen voor het Meifeest, voor de zomer of voor een jaar. In het Rijnland en Zuid-Limburg, wordt dit nog steeds gedaan. In Duitsland wordt dit Mailehen genoemd. Mailehen is geen vrijbrief voor losbandigheid, maar een duidelijke afspraak met wederzijdse rechten en verplichtingen, zoals een leenman die tegenover zijn leenheer heeft (lehen = in leen hebben of pachten).

Zo kan een jongen verplicht zijn het meisje tijdens feesten vrij te houden, maar van haar kant is ze verplicht met hem erheen te gaan en niet met een ander. Soms beslist het lot wie aan wie gekoppeld wordt, maar vaker worden de meisjes tentoongesteld en gaat ieder meisje naar degene die voor haar het meeste biedt. Gewoonlijk kan een meisje wel haar voorkeur voor een bepaalde jongen uitspreken en heeft ze het recht te weigeren als de partner haar niet aanstaat. Van de opbrengst van de koppelverkoop wordt meestal het feest betaald. Het was tot voor kort een sociaal volledig geaccepteerde en gerespecteerde manier om vrijgezellen aan een partner te helpen.

In St. Goar, aan de Rijn tussen Koblenz en Wiesbaden, vond het veilen van de meisjes tot in de 19e eeuw op het raadhuis plaats en de opbrengst ging in de stadskas. Op veel plaatsen werd het meisje voor wie op de veiling het meeste werd geboden, uitgeroepen tot Meikoningin, terwijl haar partner de nieuwe Meikoning werd.

In Lochem (Gelderland) werd tot 1870 de Maartekeur (maarte = meisje) gehouden. De boerenmeisjes stelden zich in een rij op het marktplein op. De knechten liepen langs de rij en elk koos een meisje uit dat met hem naar de meikermis ging.

In het nabijgelegen Borculo bestond een soortgelijk evenement. In Schagen (Noord-Holland) werden de koppels voor de meikermis tot 1850 gevormd op de Vrijstermarkt die jaarlijks gehouden werd. In Valkenburg worden op Meiavond traditioneel de Meileesten (meiliefsten) door een heraut bekendgemaakt. "Bij elk paar dat afgeroepen wordt," zegt J.H.Kruizinga in Levende folklore, "levert de heraut of bokhoorndrager op humoristische wijze commentaar en de meest wonderlijke combinaties worden als Meiliefsten bij elkaar gebracht." (p 109) Het enige waar de paren overigens toe verplicht worden, is samen op de eerste zondag in mei naar de hoogmis te gaan.

In Nieuwenhagen, vlakbij Heerlen, worden op de zaterdag vóór Meiavond de köppelkes (paartjes) gevormd. Elk meisje gaat naar de jongen die voor haar het meeste geld en de meeste eieren biedt. Het meisje dat het meeste heeft weten te vergaren, wordt uitgeroepen tot Meikoningin en 's avonds gekoppeld aan haar Meikoning.

Een iets ander gebruik wordt in Bleijerheide, tussen Kerkrade en de Duitse grens, in ere gehouden. De ongetrouwde mannen van het stadje gaan, met een strohoed op en een namaak chrysant in het knoopsgat, de huizen van de ongetrouwde meisjes langs. Ze worden mei-jongens genoemd. Ze zingen en maken muziek en één van de mei-jongens wordt aan het meisje toegewezen, dat hij zijn meischats mag noemen. Als tegenprestatie schenkt het meisje eieren en geld. Het meisje dat het meeste heeft ingebracht wordt uitgeroepen tot meikoningin.

Meikrans en meikroon

In veel jaarfeesten, met name het Meifeest, spelen kransen een grote rol. Het belang, door de eeuwen heen aan kransen gehecht, is vanuit verschillende invalshoeken te verklaren.

De krans vertegenwoordigt de levenskracht van de vegetatie. Voor de krans werden bloemen en takken van altijd groene bomen gebruikt. Soms werden takjes van negen verschillende magische bomen in de krans verwerkt, het zogenaamde negenderlei hout (zie de pagina over Imbolc).

In de tweede plaats werden de kransen gemaakt door de takken in elkaar te vlechten, wat een oeroude manier is om magische krachten op te wekken en te bundelen.

In de derde plaats is de cirkelvorm van de krans een al even oud magisch symbool.

Zo groot was de kracht die aan de krans werd toegeschreven dat vorsten hiermee gekroond werden. Overwinnaars bij sportwedstrijden kregen in Griekenland een lauwerkrans. Later namen de Romeinse keizers de lauwerkrans als symbool voor hun waardigheid over. Wie het leven van een Romeins burger had gered, werd geëerd met een krans van eikebladeren, de corona civica.

In het Oudhoogduits werd het woord corona als leenwoord uit het Latijn overgenomen. Het Middelhoogduitse kranz en het Nederlandse krans zijn net als corona afgeleid van de Indo-Europese wortel *ker, die 'buigen' betekende. Ons woord cirkel is, net als het Latijnse circus en het Griekse kirkos, van dezelfde wortel afgeleid. Het was vooral de cirkelvorm en de vegetatieve oorsprong waaraan de kroon haar waardigheid ontleende. Het is tekenend dat zowel de koningskroon als de kruin van een boom beiden van het woord corona zijn afgeleid.

In de middeleeuwen werden de koningskronen in toenemende mate van metaal vervaardigd, maar de vegetatieve vorm werd nog eeuwenlang in het metaal verwerkt. Toen de Duitse koning Hendrik VII zich in 1312 tot Keizer van het Heilige Roomse Rijk liet kronen liet hij voor de gelegenheid een kroon in de vorm van een lauwerkrans smeden.

Uit talloze volksgebruiken blijkt dat het verband tussen de krans en de kroon nooit is vergeten. De Lentekoningin of Meikoningin werd altijd met een krans van gevlochten twijgen en bloemen gekroond. De snelste herder, die zijn kudde het eerst naar de zomerweiden had gebracht, werd met een krans tot Meikoning gekroond. De pinksterkroon die boven de Pinksterkoningin of Pinksterbruid werd gedragen of boven de straat werd opgehangen, bestond uit met linten en bloemen versierde takken, vaak in de vorm van een krans gebogen of gevlochten. Niet voor niets werd de meiboom van al zijn takken ontdaan behalve de kruin, die als een natuurlijke kroon ongemoeid werd gelaten.

In de top van de meiboom werden vaak een of meer kransen gehangen. In de omgeving van Deventer was de pinksterkroon een complete meiboom van 10 meter hoogte, gemaakt van papier en versierd met lampions, waar omheen gedanst werd. Vaak werd voor het Meifeest een grote krans op het dorpsplein opgehangen waaronder dan gedanst werd. Om de kracht van de nieuwe zomer op de dieren over te brengen werden er kransen om hun nek of horens gehangen voordat ze van het winterverblijf naar buiten gingen. Bij processies rond de akkers hing men kransen aan de kruisen en heiligenbeelden.

Met de krans moet altijd iets gedaan worden, een magische handeling die de levenskracht activeert die in de krans sluimert. Daarom is de krans vaak inzet van wedstrijden. Vaak is diegene de Meikoning of Pinksterkoning die erin slaagt de krans te bemachtigen uit de hoge meiboom of tijdens de wedren. In middeleeuwse tournooien was vaak hij de winnaar die de meeste kransen aan zijn lans wist te steken.

Na het verrichten van cultus-handelingen, bijvoorbeeld het voltooien van de processie of het kronen van de Meikoningin, is de krans bijzonder krachtig en heilig geworden. Zo'n krans werd meegenomen en in de huiskamer of stal opgehangen. Soms werd de krans bewaard tot Midzomer en dan in het Midzomervuur verbrand. Ook werd de krans wel bij het oogsten in de eerste of laatste korenschoof opgehangen. Van de laatste schoof zelf konden nieuwe kransen worden gevlochten.

De krans kon uit elkaar gehaald worden en door het veevoeder gemengd of over de akkers verstrooid. Alle handelingen die met numineuze voorwerpen werden verricht om de kracht over te dragen, werden ook met deze kransen verricht. Geboorte, eerste communie, verloving, huwelijk, verhuizing, begrafenis - bij alle belangrijke gebeurtenissen in het leven speelden kransen een rol, net als ze dat door het jaar heen, bij de verschillende jaarfeesten, deden.

Het Meifeest van de veehouders

Voor veehouders en herders was Meiavond een feest waarbij de onstuitbare levenskracht van de nieuwe zomer werd gevierd. Bevruchting of geboorte van jonge dieren speelde daarbij nauwelijks een rol. Schapen en geiten worden in Noord-Europa in de herfst bevrucht en in het voorjaar worden de lammeren en geitjes geboren. Het fokken van koeien en paarden is niet aan een bepaald seizoen gebonden. Toch was ook voor veehouders en herders het Meifeest een belangrijk moment in het jaar.

Op veel plaatsen gingen de dieren op Meiavond of met Pinksteren voor het eerst uit de stal naar de wei, terwijl de herders met hun kudden voor het eerst naar de zomerweiden trokken. Dit was een belangrijke gebeurtenis die met veel rituele handelingen gepaard ging. Een aantal gebruiken hebben we bij de andere jaarfeesten al genoemd. Ze komen erop neer dat bepaalde handelingen worden verricht om de levenskracht van de afgelopen zomer op de nieuwe zomer over te brengen.

Slaan met de levensroede was een algemeen voorkomend gebruik om de levenskracht na de winter weer op te wekken. In Oostenrijk waren de koeien met Sint Maarten (11 november) voor het laatst buiten. De herders maakten die dag een staf die ze Martinsgerte noemden. Met Driekoningen werd deze staf in de kerk gewijd. Op Walbernabend (Walpurgisavond) werd de staf dan weer gebruikt om het vee naar buiten te drijven. Op andere plaatsen werd het vee tijdens het naar buiten drijven bestrooid met de as van het Joelblok dat met de kerst was verbrand. Roepen, zingen, het knallen van een zweep, het luiden van bellen, het slaan op voorwerpen, het uitspreken van magische of Bijbelse teksten, het bestrooien van de dieren met aarde of zout, het besprenkelen met gewijd water, het omhangen van kransen; het zijn evenzovele manieren om de levenskracht van de dieren te activeren.

Luilak

Bij het voor het eerst naar buiten drijven van het vee, treedt altijd een zekere rivaliteit op. Degene die als eerste in de stal is of die het eerste met de kudde de zomerweide heeft bereikt, neemt een speciale plaats in. Hij krijgt een bepaalde naam of titel, die hij vaak het hele jaar behoudt. Ook degene die het laatste is, krijgt een titel, die vaak spot of minachting uitdrukt.

Het wedstrijdelement hebben we bij de meiboom al genoemd als manier om de levenskracht aan te wakkeren. De verliezer of de luilak die het laatst opstaat, vertegenwoordigt de afstervende vegetatie van het vorige jaar, terwijl de winnaar de vitale nieuwe vegetatie belichaamt.

In Silezië werd het vee tot in de twintigste eeuw met Pinksteren naar de zomerweiden gedreven. Op Pinksteravond gingen de herders met hun lange zwepen knallend door de dorpen. Het opwekken van de levenskracht met zweepslagen is een algemeen gebruik in vele landen en culturen. Op Eerste Pinksterdag werden de kudden naar de zomerweiden gebracht.

De laatste herder werd in Duits Silezië Rauchfiess genoemd, terwijl men in het Poolse gedeelte van Rochwist sprak. Fiess of Fiez is in Silezië een scheldwoord. De Rauchfiess werd in een met bladeren bedekt gewaad gehuld, met een krans gekroond en met bellen en linten volgehangen. Zo werd hij door het hele dorp gevoerd en door iedereen uitgelachen. Gewoonlijk werd voor dit rondleiden geld opgehaald. Rond 1900 waren in veel delen van Silezië geen herders meer te vinden, maar nog steeds werd overal de Rauchfiess rondgevoerd door Rauchfiessbitter die alle cafés afgingen om liederen te zingen en gedichten op te zeggen. Traditioneel werd de Rauchfiess aan het eind van de dag op een wagen de stad uit gereden en met wagen en al in een vijver gegooid.

Op veel plaatsen in Noord-Nederland stond de dag vóór Eerste Pinksterdag bekend als Luilak-Zaterdag, terwijl plaatselijk ook wel Meiavond of de eerste meidag (Meiochtend) als Luilak gold. In zijn boekje Van Nederlandsche luilakken geeft D.J. van der Ven een overzicht van de in 1934 nog levende gebruiken op dit gebied. Vooral in de Zaanstreek en de dorpen rond de Zuiderzee was deze traditie diep geworteld.

Hoewel niet meer te achterhalen valt of luilakgebruiken ook in Nederland van oorsprong een herderstraditie waren, is het wedstrijdelement vaak nog wel duidelijk aanwezig. Op luilak is het zaak vóór dag en dauw op te staan om niet het risico te lopen als Luilak aangewezen te worden.

In Genemuiden werd op Meiochtend de langslaper, Luiemotte genaamd, op een met bloemen versierde ladder in zijn nachthemd door het hele dorp gedragen. Zie de foto rechtsboven.

Als regel vertegenwoordigt de Pinksterbloem of Pinksterbruid de groeikracht van de nieuwe vegetatie, terwijl de Luilak de afstervende oude vegetatie belichaamt. In een samenleving waar heidense rituelen nog wel werden nagevolgd, maar niet meer begrepen, werden hun rollen verwisselbaar. Op Marken en Schokland werden de termen Luilak en Pinksterbloem willekeurig door elkaar gebruikt.

De verwarring werd in de hand gewekt door een aantal handelingen die men verrichtte om de Luilak uit zijn of haar winterslaap wakker te schudden en de levenskracht in hem of haar te activeren. In Delft ging de luilak-ommegang in de vroege ochtend traditioneel gepaard met tromgeroffel en trompetgeschal. Ook elders werd op allerlei manieren herrie gemaakt. Vaak werd de Luilak in het water gegooid. Dit activeert de levenskracht, net als regen de aarde vruchtbaar maakt.

Een andere manier om de levenskracht te prikkelen was door de Luilak met prikkende en stekende planten in aanraking te brengen. In Haarlem werd de langslaper van top tot teen met klissen bedekt en als Klissenboer rondgeleid.

In de Zaanstreek werden Meisjeslooielakken in een stoel gezet die was versierd met boterbloemen, pinksterbloemen en brandnetels. Ook stekende en knijpende dieren werden in staat geacht de levenskracht te wekken. Op Texel werden op Luilakochtend krabben aan de deurknop gehangen, zodat je moest oppassen als je naar buiten ging. In Amsterdam worden in de luilaknacht nog steeds allerlei voorwerpen die niet zijn opgeborgen van plaats veranderd. Vooral het in lantaarnpalen hangen van fietsen is daarbij populair.

Van de oude luilaktradities is niet veel overgebleven. In Haarlem wordt in de nacht van vrijdag op zaterdag vóór Pinksteren nog steeds de Luilakbloemenmarkt gehouden en nog steeds doet de jeugd zijn best de stad op stelten te zetten, vooral door het maken van zoveel mogelijk lawaai, maar het in processie rondvoeren van de Luilak lijkt tot het verleden te behoren, al weet je dat maar nooit met volksgebruiken.

Meidauw en bronverering

Aan de dauw van de eerste Meidag werd veel kracht toegeschreven. In de middeleeuwen was het een algemeen verbreide gewoonte deze dauw te verzamelen en voor uiteenlopende doeleinden te gebruiken. Tot in de hoogste kringen werd dit gedaan. Op 1 mei 1515 ging Catharina van Aragon, de eerste vrouw van Hendrik VIII, met 25 van haar hofdames de dauw verzamelen.

Door de eeuwen heen zijn er verwijzingen die het belang van may dew op de Britse eilanden onderstrepen. Vaak werd gezegd dat meidauw vrouwen mooi maakt. Meidauw werd ook algemeen als een geneesmiddel gezien en op de oogleden gewreven om zere ogen te genezen. Het werd gebruikt tegen jicht en tegen vele andere ziekten en pijnen.

De kracht van meidauw werd ook gebruikt voor magische doeleinden. In Schotland was liefdesmagie met meidauw tot in de twintigste eeuw populair. Sommige meisjes noemden de naam van een bewonderde jongen terwijl ze hun gezicht met meidauw wasten. De kracht van de dauw zou ervoor zorgen dat de jongen verliefd op haar werd.

Toen de meigebruiken zich deels naar Pinksteren en Hemelvaart verplaatsten, kreeg de pinksterdauw dezelfde betekenis als de meidauw. In Westfalen werd in de Pinksternacht een wedstrijd te paard gehouden. De winnaar werd Däwestrüch (dauwstruik) genoemd. Hij werd naar de top van een hoge heuvel gebracht, daar op een struik gezet en met struik en al tot in het dal door de dauw naar beneden gesleept. De verliezer van de wedstrijd werd Pfingstmockel (pinksterkoe) genoemd. In Nederland vindt het dauwtrappen vanouds op Hemelvaartsdag plaats.

Niet alleen aan de dauw werd op Meidag een grote kracht toegeschreven. Regenwater dat op Meidag viel, werd opgevangen en gebruikt voor dezelfde doeleinden waar meidauw voor diende. Ook in de rest van de meimaand had regenwater grote kracht. Nog steeds zeggen we dat je groeit van meiregen, al is de oorsprong van dat gezegde vrijwel vergeten.

Bronnen genoten het hele jaar door grote verering, maar op Meidag kregen veel bronnen speciale aandacht. In Groot Brittannië en Ierland bestaat vanaf de vroege middeleeuwen het gebruik van well-dressing. Dit houdt in dat men bij het ochtendgloren naar de plaatselijke bron gaat en deze versiert met kransen en slingers bloemen. Aan nabijgelegen bomen worden lapjes gehangen. Vaak wordt een meiboompje bij de bron neergezet en versierd. Om de bron wordt gedanst en gezongen en ieder drinkt van het bronwater, dat door dit ritueel nieuwe kracht heeft gekregen. Het bronwater wordt in flessen mee naar huis genomen en bewaard om te gebruiken tegen ziekten en om vruchtbaarheid en voorspoed waar nodig te bevorderen.

Net als alle luilakgebruiken komt well-dressing voort uit de gedachte dat kracht en vruchtbaarheid verdwijnen tenzij je op gezette tijden iets doet om deze kracht opnieuw op te wekken en te vernieuwen. Het gebruik werd in de loop der eeuwen van de eerste mei naar Hemelvaartsdag verplaatst. De katholieke priester leidde de ceremonie en zegende het bronwater, terwijl de gelovigen hardop psalmen lazen. Well-dressing is nu op veel plaatsen verdwenen, maar was tot het eind van de 19e eeuw op het platteland een algemeen gebruik.

Het meivuur

Het meivuur nam samen met de meiboom een centrale plaats in het Meifeest in. Rond beiden werd gedanst en beiden werden gezien als brenger van vruchtbaarheid, gezondheid, kracht en overvloed.

In het Paleis op de Dam is in 1655 door Artus Quellien het element vuur afgebeeld als een phoenix die uit het vuur herboren wordt. Zie de foto rechts.

In heel Europa zijn meivuren door de eeuwen heen in ere gehouden. Waar het Meifeest met Pinksteren werd gevierd, werden Pinkstervuren gebrand. Bij het uitdrijven van het vee werd dit als regel door het Meivuur of Pinkstervuur geleid.

Gewoonlijk werd door de jeugd al weken van tevoren de brandstof voor het vuur verzameld, bij elkaar gebedeld of gestolen. Op Texel wordt nog steeds op vele plaatsen op Meiavond de meierblis gebrand. In Zweden wordt op Meiavond het Walborgsmesseldar (Walpurgisvuur) gebrand.

Op sommige plaatsen in Duitsland werd een als heks verklede stropop in het vuur gegooid. De heks heeft hier duidelijk de eigenschappen overgenomen van de oude, afstervende vegetatie, die weer vruchtbaar wordt door deze te verbranden of in het water te gooien. Dit is te zien als een vorm van de strijd tussen zomer en winter, waarbij de winter wordt verslagen en verdreven.

Sint Joris (23 april)

Van Sint Joris is weinig meer met zekerheid bekend dan dat hij vermoedelijk in het jaar 303 door keizer Diocletianus is terechtgesteld. Door de vroege christenen werd hij naar voren geschoven als een held die het christelijk geloof met inzet van zijn leven had verdedigd.

James Frazer ziet de viering van Sint Joris als een gekerstende vorm van de Romeinse Parilia (21 april, zie boven). In plaats van offers te brengen aan de Godin Pales leerden de herders zich te richten tot de voorvechter van het christelijke geloof om hem te vragen hun vee te beschermen tegen wolven en andere gevaren. Ook voor de landbouwers was Sint Joris belangrijk. De Griekse vorm van zijn naam, Georgios, betekent landbouwer.

In de 7e eeuw was de verering van St. George tot Engeland doorgedrongen, waar Beda hem dan ook opnam in zijn lijst van martelaren. Het verhaal dat Sint Joris een draak zou hebben gedood die mensenoffers verlangde, is pas in 1298 voor het eerst gepubliceerd in Legenda aurea, een bundel beschrijvingen van heiligenlevens door Jacobus de Voragine.

De draak was in de middeleeuwen, net als de slang, een symbool voor vruchtbaarheid en levenskracht. Oorspronkelijk werd de draak als een slang afgebeeld en pas later ontstond de gewoonte de draak poten en vleugels te geven. Door de kerk werd geprobeerd de draak af te spiegelen als het kwaad. Het zou Satan zelf zijn die regelmatig de vorm van een slang of draak aannam en probeerde de mensen tot het kwaad over te halen. Sint Joris zou de duivel in de vorm van een draak hebben bestreden.

Ondanks deze zwartmakerij bleef men de draak zien als symbool voor een ontembare levenskracht. Draken werden vaak afgebeeld als wezens die de grens tussen dier en vegetatie overschrijden. Het zijn dan Groene Draken. Zelfs in het hart van de kerk waren Groene Draken populair. De foto links toont een kandelaber met twee Groene Draken die zijn afgebeeld in de Galleria Urbanus, genoemd naar paus Urbanus (1846-1876). Hun lijven en staarten gaan over in acanthusbladeren.

Door de kruistochten nam de verering voor Sint Joris in Europa steeds grotere vormen aan. Elke christelijke natie vereenzelvigde zich met deze heilige, die Het Kwaad bestreed, net als de christenen ten strijde trokken tegen de oprukkende Mohammedaanse Duivels.

Nog steeds is Saint George de beschermheilige van Engeland, terwijl 23 april door de eeuwen heen in veel Europese landen een belangrijke dag is gebleven in de volkskalender. Met name in de Slavische landen werd het vee op geen andere dag uit de stallen naar de zomerweiden gedreven dan op Sint George, weer of geen weer.


Bij de strijd tussen zomer en winter vertegenwoordigt Joris de kracht van de ontwaakte vegetatie die de winter verdrijft. Op veel plaatsen, met name in Rusland en Slovenië, werd op 23 april een geheel in groene takken en bladeren geklede man rondgevoerd, die Groene George werd genoemd. Ook waar George niet als persoon werd opgevoerd werd het vee vaak op zijn naamdag voor het eerst naar buiten gedreven en werd in processie rond de akkers getrokken. Ook werd lawaai gemaakt om de levenskracht van de zomer te activeren. In Tirol en Zwitserland bestond de gewoonte van het Grasausläuten op Meidag of op Sint George. Dit hield in dat men met koebellen rinkelend in processie over de weilanden liep om het gras wakker te maken en te laten groeien. Ook liep men men op deze manier over de akkers, wat dan Kornaufwecken heette.

De IJsheiligen

Pancratius (12 mei), Servatius (13 mei) en Bonifatius van Tarsus (14 mei) worden wel de IJsheiligen genoemd omdat nachtvorst kan voorkomen totdat hun feestdagen zijn verstreken. Van alle drie is bijzonder weinig bekend. Bonifatius is niet de missionaris die in Dokkum is vermoord, al wordt hij hier wel mee verward. Soms wordt Bonifatius niet tot de IJsheiligen gerekend en Mamertus (11 mei) wel. De IJsheiligen zijn een gekerstende uitbeelding van de strijd tussen zomer en winter, die niet door heidense rituelen, maar door het vereren van drie heiligen beslecht kon worden in het voordeel van de zomer.

Meiomgangen

Op 25 april werden in in het Romeinse Rijk de Robigalia gehouden, omgangen rond de akkers om de God Robigus met het offeren van een hond te bewegen het graan niet met graanmeeldauw oneetbaar te maken. Het Latijnse woord voor meeldauw is robigo, wat ook roest betekent. Robigo werd gezien als een numen dat geen leven bracht, maar dit verwoestte. Robigus was de God die dit numen kon activeren of onderdrukken.

In gekerstende vorm zijn de Robigalia te herkennen in de Feriae Rogationum (Smeekdagen) die in de vierde eeuw op 25 april werden ingesteld. Hierbij werd een processie rond de akkers gehouden om Christus te smeken het graan voor meeldauw en andere ziekten te behoeden.

In de maand mei waren in het Romeinse Rijk de Ambarvalia. Oorspronkelijk konden deze feesten in de hele maand plaats vinden. Later werden ze vooral op 29 mei gevierd. Hierbij werd door priesters en burgers driemaal om de akkers (ambarvalis = "rondom de akker") gelopen. Ter ere van Ceres en Mars werden een zeug, een schaap en een stier geofferd. De omgangen en offers hadden tot doel het numen van het graan en de andere gewassen op de akkers te activeren, zodat de oogst overvloedig zou zijn. Tegelijk hadden de omgangen een beschermende functie, om alles wat de gewassen zou kunnen bedreigen, af te weren.

Ook de Ambarvalia werden gekerstend en wel door in de vijfde eeuw de Feriae Rogationum niet alleen te koppelen aan 25 april, maar ook aan de drie dagen vóór Hemelvaartsdag. In de Engelse naam Rogationtide is de Latijnse naam voor de Smeekdagen nog te herkennen. In het Nederlands raakte de naam Kruisdagen ingeburgerd, naar het kruis dat tijdens de processies rond de akkers werd meegevoerd. De Kruisdagen zijn 37, 38 en 39 dagen na Pasen en kunnen daarom op zijn vroegst 27-29 april en op zijn laatst 31 mei-2 juni vallen. In de middeleeuwen waren de Kruisdagen een tijd van boetedoening waarin men vastte en barrevoets een groot kruis rond de akkers droeg.

In Engeland ging de omgang op de Kruisdagen gepaard met een gebruik dat beating the bounds werd genoemd. Daarbij werden de akkers afgezet met grenspalen die door de processiegangers met een speciale staf tijdens de omgang werden aangeraakt. Hoewel dit gebruik pas in de late middeleeuwen voor het eerst is vermeld, gaat het ongetwijfeld terug op een oude heidense manier om het numen van de akkers te activeren door een magische handeling. Uit de Romeinse tijd zijn verschillende van dergelijke gebruiken bekend. Voor de Romeinen waren grenspalen magische krachtplaatsen die door de god Terminus bewaakt werden.

In 1264 stelde Paus Urbanus IV nog een ander feest in waarbij de omgang rond de akkers werd gekerstend en wel het Festum Corporis Christi, gevierd op de tweede donderdag na Pinksteren, wat kan vallen tussen 20 mei en 24 juni. De hostie werd hierbij als het lichaam van Christus (Corpus Christi) in processie rondgedragen. De hostie, gebakken van ongezuurd tarwemeel, geeft aan dat Christus de Heer van het Graan is, die alles laat groeien en zonder wie er geen brood zou zijn. De verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus is een van de sacramenten van de katholieke kerk, het sacrament des altaars geheten, de reden waarom deze dag Sacramentsdag wordt genoemd. Op die dag werden vier altaren neergezet in de vier hoeken van de akkers. Tijdens de processie werd bij elk van deze vier altaren gestopt.

Meidoorn

De meidoorn is al sinds de prehistorie een boom waaraan grote magische krachten zijn toegeschreven. Tijdens de Floralia werden kransen gedragen van deze, aan Flora gewijde boom. Ook voor de Kelten en Germanen was de meidoorn met de Godin verbonden.

In Het vieren van de Maanfeesten, in het hoofdstuk over de Grasmaan, heeft Ko de heidense oorsprong van de verschillende gebruiken rond de meidoorn uiteengezet. Door de kracht die deze boom vertegenwoordigde, rustte er een taboe op het gebruiken van meidoorntakken en bloesems voor andere dan religieuze doeleinden. Tijdens het Meifeest, van oorsprong tenslotte een religieus feest, was dit taboe opgeheven en werden meidoorntakken en -bloesems gebruikt om het feest op te luisteren.

Missionarissen en katholieke priesters hebben tevergeefs geprobeerd de gebruiken rond de meidoorn uit te roeien door te zeggen dat de meidoorn een boom van de duivel was, een boom die ongeluk en rampspoed bracht, vooral als je een krans of takken van deze boom in huis ophing.

Een Meiviering voor deze tijd

Het Meifeest was vanouds een landbouwfeest, bedoeld om het kritieke moment in de jaarcyclus, waarbij de verschillende gewassen worden bevrucht, te begeleiden. Nog steeds voltrekt dit wonder van de bevruchting zich elk jaar voor onze ogen en nog steeds hebben we de mogelijkheid hier door een ritueel vorm aan te geven. Zoals ook bij de andere jaarfeesten is gezegd, gaat het er niet om dat de natuur zonder ons haar werk niet kan doen. Ook als we het Meifeest niet vieren, zal de natuur zich in haar zomerkleed hullen en vrucht dragen. Toch is een meifeest méér dan alleen een dankzegging voor de te verwachten overdaad.

Door de levenskracht te prikkelen kunnen we enerzijds wel degelijk de natuur een klein beetje stimuleren en anderzijds kan deze levenskracht ons helpen een aantal zaken in onszelf of onze omgeving een goede wending te geven. Hoe vaak nemen we niet iets ter hand en zetten het in gang, maar laten het daarna verwateren en doodbloeden? Het Meifeest kan worden benut om dergelijke zaken net het duwtje te geven dat ze nodig hebben, zodat de plannen alsnog vruchten zullen afwerpen. Het Lentefeest is een moment om bepaalde zaken nieuw leven in te blazen. Het Meifeest is een moment om dat leven vorm te geven. Als je, bijvoorbeeld, tijdens de Lente hebt besloten vrijwilligerswerk te gaan doen om je medemensen te helpen, is nu het moment om te kiezen voor een bepaald soort vrijwilligerswerk en te zoeken naar een organisatie waarbij je je wilt aansluiten. Als je jarenlang gegevens hebt verzameld over een bepaald folkloristisch gebruik in je omgeving is nu misschien het moment om te besluiten er een artikel over te schrijven of contact te zoeken met iemand die iets méér met je gegevens kan doen dan ze in een la laten liggen.

Het Meifeest was vanouds ook een feest voor herders en veehouders, die rond die tijd hun kuddes of vee van het winterverblijf naar het zomerverblijf brengen. Dit werd gezien als een grote verandering, die met de nodige overgangsriten gepaard ging. In ons leven maken we vaak dergelijke veranderingen mee: we verhuizen, gaan naar een andere school, krijgen een andere baan, gaan samenwonen of trouwen, we krijgen kinderen, soms gaan we weer scheiden, met een ander samenwonen, in onze omgeving worden mensen geboren, mensen overlijden. Het zijn allemaal overgangsfasen, die we op hun beloop kunnen laten of kunnen proberen te beïnvloeden.

Als je het Meifeest zonder anderen viert, kun je een zeer persoonlijke invulling aan het ritueel geven. Als je in een groep de jaarfeesten viert, zul je een algemener kader zoeken waarbinnen ieder groepslid een eigen plaats kan vinden. Ook in een groep kun je handelingen of teksten opnemen waarmee elk groepslid iets kan uitdrukken wat op dat moment voor hem of haar belangrijk is.

Als onderdeel van het Meiavondritueel kun je in de groep een Meibruid of Meibruidspaar kiezen. Bedenk een samenhangend geheel van handelingen om haar of hun komst in het ritueel in te passen. Je kunt voor de Meibruid zingen of haar iets geven of toewensen. De Meibruid kan iets doen of zeggen. In het stuk over het Meibruidspaar zijn genoeg ideeën te vinden om dit vorm te geven.

Het maken van een meikrans

In de Meifeesten van heel Europa speelden kransen vanouds een grote rol, zoals we in het stuk over de meikrans en de meikroon uiteengezet hebben. Ook in de andere jaarfeesten kunnen kransen, op een bij dat feest passende wijze, gebruikt worden.

Zelf hebben we een basiskrans gemaakt van het negenderlei hout (zie de pagina over Imbolc), waarin bloemen, bladeren, graan, takjes, bessen of bottels gestoken kunnen worden. Het verdient aanbeveling deze basiskrans eind februari of begin maart te maken omdat in die tijd de gebruikte takken nog geen bladeren hebben. Ook vind je in die tijd in parken en bossen vaak snoeihout, zodat je niet zelf iets van elk boom hoeft te snijden.

Voor onze basiskrans hebben we takjes genomen van es, wilg, hazelaar, els, lijsterbes, wijnrank, vlier, meidoorn, berk. Het zijn bomen die bij onze maankalender horen (Zie ons boek Het vieren van de Maanfeesten) en ook bomen die voor iedereen gemakkelijk te vinden zijn. Knip van tevoren stukjes dun ijzerdraad van ongeveer 15 cm. Bij het maken van de krans kun je het beste met de buigzame wilgentakken beginnen. Je kunt takken van 50-100 cm nemen, afhankelijk van hoe groot je de krans wilt maken.

Neem twee of drie wilgentakken. Leg hier twee of drie andere takken naast, zodanig dat het dunne eind van de ene groep takken en het dikke eind van de volgende groep elkaar ongeveer 10 cm overlappen. Bind deze einden met een stuk ijzerdraad aan elkaar. Vorm de takken tot een cirkel en leg dan de volgende tak of takken ernaast, die je op dezelfde manier vastmaakt. Draai de takken ook een beetje om elkaar heen om een meer samenhangend geheel te krijgen. Op deze manier ga je steeds in het rond en zet nieuwe takken vast. Als je vindt dat de krans stevig genoeg is, kun je de takken van de andere bomen hieraan vastmaken. IJzerdraad is op een gegeven moment niet meer nodig. Je steekt de takken dan gewoon in de krans, draait ze er iets omheen en steekt het andere eind ook in de krans. Ga door tot je de krans dik genoeg vindt. Gebruik als laatste weer een paar wilgentakken en draai ze stevig om de krans om alles goed bij elkaar te houden.

Voor Meiavond kun je linten aan de krans knopen en hem daarmee bovenin de meipaal hangen, als je die maakt. Je kunt er bloemen in hangen, zoals meidoornbloesem of lijsterbes. Je kunt de aldus versierde krans ook in horizontale stand aan het plafond of aan een lamp hangen.

Een meikrans voor op het hoofd

In de Lente-, Zomer- en Herfstfeesten kunnen kransen met de bloemen of kruiden van het moment op het hoofd gedragen worden. Ook hiervoor kun je een basiskrans maken, waarop je voor elk ritueel andere bloemen kunt vastbinden. Neem hiervoor een bosje wikkel en rol de draad driemaal om de omtrek van je hoofd. Draai het begin van de draad om de andere twee draden heen om het vast te zetten. Knip het andere eind niet af. Draai het bosje om de drie draden heen en ga op deze manier de hele krans rond, de nieuwe draad stevig om de eerste drie heen draaiend. Je hebt nu een redelijk stevige krans van wikkel die rond je hoofd past. Probeer of de maat zo goed is en maak de krans anders nog wat groter of kleiner. Als je lange, buigzame takken van bijvoorbeeld hedera gebruikt, is het niet nodig om eerst een basis van wikkel te maken.

Om een meikrans te maken, zet je op de basisvorm van wikkel of hedera kleine takjes bloeiende meidoorn vast. Als de meidoorn nog niet bloeit kun je ook lijsterbes nemen, zijden bloemen gebruiken, of papieren bloemen maken, zoals beschreven in het stuk over Midwinter.

Leg de takjes op de krans en draai hier wikkel omheen om ze vast te zetten. Dakpansgewijs zet je steeds het volgende takje tegen de vorige. Als de krans vol genoeg is, knip je de wikkel af.

Het maken van een meipaal

Als je de meipaal wilt gebruiken om linten omheen te vlechten, moet hij minstens 1.80 m zijn, liefst nog langer. Ook een meipaal kun je het beste in het vroege voorjaar zoeken. Zelf vonden we op die manier tussen net gesnoeid hout een geschikte elzenstam. Schil de stam en wrijf hem in met wat olijfolie.

Je kunt de stam in een kerstboomstandaard zetten of er een kruis onder timmeren. Zorg ervoor dat hij goed stevig staat en niet omvalt als de linten gevlochten worden. In de bovenkant van de paal draai je een schroef met een oog om de linten van de krans aan vast te maken. Je kunt ook een kant en klare krans van stro of wilgentenen bij een tuincentrum of hobbywinkel kopen.

Luilakbollen

Op het luilakfeest werden traditioneel luilakbollen gegeten. Oorspronkelijk moest de luilak hierop tracteren om zijn of haar gerechte straf, zoals het in de brandnetels of in het water belanden, af te kopen. De luilak kon ook de laatste knecht zijn die in de werkplaats verscheen, of het laatste kind dat het schoolplein betrad.

De bollen werden warm met stroop gegeten en de bakker blies zijn hoorn als er weer een oven met bollen klaar was. Later ontstond de gewoonte elkaar op luilakbollen te tracteren, ook zonder aanleiding. Bij de koekjes-en-wijn ceremonie kunnen deze bollen worden gebruikt. Je hebt voor de bollen nodig:

- 220 gr bloem
- 100 gr roggemeel
- 2 dl lauw water
- 1 zakje gedroogde gist of 30 gr verse gist
- 100 gr krenten
- 50 gr rozijnen
- 1 theelepel kaneel
- 1 ei

Maak op de gewone manier een gistdeeg (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad) en laat dit rijzen. Kneed de krenten, rozijnen en het kaneel door het deeg. Verdeel het deeg in stukken van ongeveer 40 gram. Vorm hier bolletjes van en leg ze op de ingevette bakplaat.

Amsterdamse luilakbollen werden gebakken als schootje, d.w.z. dat ze in groepjes van acht gebakken werden, vier onder elkaar en twee naast elkaar. Plaats ze zo dat ze na het rijzen elkaar raken en dus aan elkaar zullen bakken. Strijk ze af met los geklopt ei, laat ze rijzen en bak ze daarna in een hete oven van 220 graden C ongeveer 15 miuten. Eet ze doorgesneden met stroop besmeerd.

Meiavondsalade

Deze salade is rood en wit met meidoornbladeren. Bij het feest na afloop van het ritueel kan deze salade worden gegeten. De kleuren rood en wit spelen in veel volksgebruiken, ook met Meiavond, een rol. Ook de meidoorn hoort vanouds bij dit feest. Voor de salade heb je nodig:

- 1/2 liter meidoornbladeren
- 1 rode paprika
- 3 à 4 gekookte aardappelen
- 1 lente-uitje
- 1 appel
- 4 eieren
- 2 tomaten
- 3 eetlepels olijfolie
- 1 eetlepel mosterd
- 3 eetlepels yoghurt
- 2 eetlepels azijn

Kook de eieren hard. Snij de paprika, de aardappels en de appel in blokjes. Snij het uitje fijn. Klop een saus van de olie, mosterd, yoghurt en azijn. Snij 2 eieren in plakjes. Was de meidoornbladeren en doe ze bij de salade. Meng alles door elkaar en garneer met de overgebleven 2 eieren en tomaat.

Meidoornbloesemwijn

Voor in het ritueel, of om gewoon te drinken tijdens het Meifeest, kun je meidoornbloesemwijn maken. Het recept hiervoor vind je in Het vieren van de Maanfeesten.

Vlierbloesem-eikwijn

Voor in het ritueel kun je ook vlierbloesem-eikwijn maken. De vlier wordt vanouds met de Godin verbonden, de eik met de God. Deze wijn vertegenwoordigt dus het samengaan van God en Godin, wat natuurlijk goed bij het Meifeest past. Als de vlier bloeit, meestal pas eind mei of begin juni, kun je ook het eikenblad plukken. Bij vlierbloesem is de geur belangrijk. Als de bloesem een zoete geur verspreidt, zal de wijn goed van smaak zijn, maar als de bloesem stinkt, wat bij sommige bomen het geval is, zal de wijn ook niet lekker worden. Zoek dus een andere vlier op als de bloesem niet prettig ruikt. Voor de wijn heb je nodig:

- 25 gram vlierbloesem
- 3 liter jong eikenblad, licht aangedrukt in een litermaat
- 250 gram rozijnen
- 3 1/2 liter water
- 1250 gram suiker
- 3 citroenen
- pecto-enzym
- 1 theelepel gistvoedingszout
- giststarter
- mespunt gemberwortelpoeder

Maak twee dagen van tevoren een giststarter (zie pagina Wierook, wijn, brood, gewaad). Kook het eikenblad in 3 1/2 liter water, zeef dit en druk het blad iets uit. Los de suiker en het gistvoedingszout in het nog hete vocht op. Rasp de citroenen (niet het wit meeraspen) en pers ze uit. Doe dit met de gemberwortel en het pecto-enzym bij het vocht. Laat alles afkoelen tot het lauw is. Voeg nu de giststarter erbij en doe alles, ook de fijngehakte rozijnen en de vlierbloesem, in een 5-literfles. Vul zonodig met lauw water bij. Doe het waterslot erop. Als de gisting is gestopt (het waterslot borrelt niet meer) zeef je de rozijnen eruit. Handel verder zoals in pagina Wierook, wijn, brood, gewaad beschreven.

Meiwijn

In de middeleeuwen bestond het gebruik op Meiavond of Meidag een kruidenwijn te drinken. In de Nederlanden werd dit meidranc of meydranck genoemd. Het Middelnederlandsch woordenboek van Verwijs en Verdam omschrijft de meidrank als: "Een verkoelende drank, waarschijnlijk toebereid uit wijn en vruchten of uit wijn en welriekende kruiden, kruiderwijn." (Deel 4, p 1336)

In Duitsland was de Maitrank of Maiwein ook geen onbekende. Al in 854 wordt de meidrank genoemd in de geschriften van een Benedictijnse monnik. Tot Engeland schijnt het gebruik niet doorgedrongen te zijn. De Oxford English Dictionary verwijst voor May-drink, "a white wine medicated with woodruff" (een witte wijn gemaakt met lievevrouwebedstro), alleen naar Duitse, Nederlandse en Belgische gebruiken.

Hoewel ook andere kruiden werden gebruikt, is lievevrouwebedstro met name in Duitsland door de eeuwen heen populair gebleven. Dit kruid staat bekend om zijn welriekendheid en om zijn aansterkende werking, die tegen voorjaarsmoeheid werd gebruikt. Het kruid werd oorspronkelijk met de godin als Moeder Aarde verbonden. Net als de meimaand aan Maria werd gewijd, werd ook dit kruid met Onze Lieve Vrouwe verbonden. In Bethlehem zou Jozef voor Maria een bedje van dit kruid hebben gemaakt. Uit dankbaarheid schonk Maria dit kruid zijn geur, zijn kracht en zijn naam. Voor meiwijn heb je nodig:

- 1 handvol vers geplukte lievevrouwebedstro
- 1 fles witte Rijn- of Moeselwijn
- 1 sinaasappel
- 50 gr witte basterdsuiker

Leg de lievevrouwebedstro in een kom. Snij de sinaasappel in stukken in doe ze in de kom, samen met de suiker en de wijn. Laat dit 1 dag afgedekt staan. Zeef de wijn en serveer hem koel.

Meiwierook

Hiervoor kun je 1/2 eetlepel van het basisrecept nemen (zie pagina Wierook, wijn, brood, gewaad). Voeg hier 1 theelepel gedroogde meidoornbloesem en 1 theelepel gedroogd meidoornblad aan toe. Je kunt ook een van de andere wierookrecepten uit de pagina over wierook gebruiken.

Versiering van de ruimte

Als de meidoorn al bloeit, kunnen takken met bloesems worden neergezet of opgehangen. Anders kun je ook fluitenkruid (zie bovenstaande foto) of andere witte bloemen nemen. Groene takken en linten kunnen worden gebruikt om de uitbundigheid van het Meifeest tot uiting te brengen.

Voorbereiding voor het ritueel

In het midden staat de meipaal, een boomstam of paal van ongeveer twee meter lang, op of in een standaard. Een met meidoornbloesem of witte (eventueel papieren) bloemen versierde krans hangt met linten boven in de boom. De ketel staat naast het altaar. In de ketel wordt tijdens het ritueel een vuur gemaakt, bijvoorbeeld door een kaars of waxinelichtje in de ketel te branden.

Op of bij het altaar staan meikoek, luilakbollen of een schaal met koekjes. Als je meidoornbloesemwijn, vlierbloesem-eikwijn of meiwijn hebt gemaakt, kan deze worden gebruikt, anders een gewone witte wijn.

De mannen hebben een wit lint van anderhalve meter lengte; de vrouwen een rood lint. Het is de bedoeling dat er evenveel witte als rode linten zijn. Als dat nodig is kan een man een rood lint of een vrouw een wit lint nemen, als er maar een even aantal deelnemers is.

Het ritueel

PS en P zijn de priesteres en priester die het ritueel leiden. De Cirkel wordt volgens het basisritueel getrokken. Ieder heeft bij het binnenkomen een lint in de hand. De groep gaat in een kring zitten. PS zegt:

Vanavond vieren we het feest van Meiavond, het begin van de zomer. Het koren staat te wuiven op de akkers, maar de oogst is nog ver van ons. In volmaakte eenheid is het zaad ontkiemd en in volmaakte eenheid zal het tot volle wasdom komen. Laat de eenwording van hemel en aarde, de eenwording van vuur en water tot je doordringen. Uit deze eenwording komt al het leven voort.

Er is een korte meditatie. P zegt:

Hou het beeld van de eenwording van hemel en aarde, de eenwording van vuur en water voor ogen en bind daarmee je lint aan de paal.

Iedereen bindt zijn of haar lint zo hoog mogelijk aan de paal en houdt het andere eind vast. Rode en witte linten moeten om en om komen. Als alle linten vastgebonden zijn zegt PS:

Wit is de dood
Rood is het leven
Rood is het vuur
Wit is de as

P zegt:

Wit is de onschuld
Rood het verlangen
Rood is het bloed
Wit is het zaad

PS zegt:

Wit is de bloesem
Rood is de vrucht
Rood is de schemer
Zwart is de nacht.

De mannen (en evt. vrouwen met een wit lint) hurken. De vrouwen (en evt. de mannen met een rood lint) gaan een plaats naar rechts, waarbij hun lint dus over dat van de rechterbuurman heen gaat. De vrouwen hurken.

De mannen gaan een plaats naar links, waarbij hun lint over dat van de linkerbuurvrouw gaat. De mannen hurken weer en de vrouwen gaan een plaats naar rechts.

Deze afwisseling, waarbij de vrouwen widdershins en de mannen deosil bewegen, wordt voortgezet tot de linten zover om de meipaal gevlochten zijn dat niet verder gegaan kan worden. PS zegt:

Rood is wit en wit is rood. Zo moet het zijn!

Iedereen herhaalt dit. De meiboom wordt buiten de Cirkel geplaatst en de ketel wordt in het midden gezet. Een vuur in de ketel wordt aangestoken. Er wordt gedanst en over het vuur gesprongen.

De groep gaat daarna in een kring zitten. PS zegt:

Ga gemakkelijk zitten. Sluit je ogen en ontspan je. Haal een paar keer diep adem. Vul je longen en je buik met lucht. Hou je adem een paar seconden vast en laat hem dan rustig ontsnappen. Ontspan je bij het uitademen.

Je loopt op een zandpad dat zich door een bos slingert. Het zand is mul en als het pad stijgt, heb je soms moeite niet weg te glijden, maar je geeft het niet op. Daar vóór je, achter de heuvel, is de ondergaande zon en je wilt er een glimp van opvangen voordat hij verdwenen is.

Als je een bocht voorbij bent, zie je dat het pad daarachter nog veel steiler is, maar vastbesloten klauter je verder. Soms grijp je een tak of boomstronk en je trekt je eraan omhoog. Veel verder kan het pad toch niet klimmen want daar zie je de blauwe lucht schuin boven je. Nog één bocht, nog twee bochten en dan... dan houdt het pad ineens op.

Je bent nu bovenop de heuvel en aan de andere kant gaat de helling een meter of vijf schuin naar beneden. Je doet een stap terug, tenminste dat probeer je, maar de grond onder je voeten zakt weg en zonder dat je het kunt verhinderen, schuif je die helling af. Om geen zand in je ogen te krijgen doe je ze dicht, maar daardoor verlies je ook elk besef van wat onder of boven is en heel even heb je het idee te zweven. Je steekt je handen voor je uit en je voelt iets hards. Je grijpt het en weet je eraan vast te houden. Het duurt even voordat je je ogen weer durft te openen.

Het eerste wat je ziet is de lucht boven je en de boomtak, want dat is het, waaraan je je vastklampt. Je kijkt onder je en je ziet water, donker water. Achter je is een steile helling waarop niets anders groeit dan de boom die je val heeft gebroken. Vóór je zie je een muur die uit het water oprijst. Boven de muur zie je tegen de laatste stralen van de ondergaande zon de contouren van een kasteel, dat zilverachtig schittert. Naarmate de zon verder ondergaat, lijkt het kasteel feller te glinsteren. Op het moment dat de zon achter de horizon verdwijnt, breekt de tak waaraan je hangt af en je valt. Je ziet het water onder je en op de een of andere manier weet je dat je niet bang hoeft te zijn.

Zodra je in de slotgracht, want dat moet het zijn, terecht komt, wordt alles donker. Je maakt zwemmende bewegingen om weer naar boven te komen, maar het is of je steeds dieper wordt meegezogen. Toch is het niet beangstigend en je geeft je eraan over. Je zinkt weg als in een diepe slaap.

Het dringt tot je door dat je armen worden gegrepen. "Kom maar gauw," hoor je zeggen. "Iedereen wacht op je om met het feest te beginnen." Je kijkt verbaasd om je heen naar de met slingers bloemen versierde mensen die hand in hand om je heen dansen.

Links van je staat een meisje met tot haar middel hangende blonde haren, gehuld in niets dan boombladeren, die haar van haar schouders tot haar voeten bedekken. Om haar nek en op haar hoofd heeft ze witte bloemen. Ze ziet er zo onwezenlijk mooi uit dat je half gelooft dat ze uit een andere werkelijkheid komt. Rechts van je staat een jongen, al even onbeschrijflijk mooi, net als het meisje gehuld in bladeren en bloemen. Ze pakken je armen en voeren je ronddansend met zich mee. Als ze dicht bij je komen, ruik je een intens zoete geur, als van jasmijn op warme zomeravonden.

Je vindt het prettig als ze je aanraken, als hun wang de jouwe raakt of als hun handen over je armen, je borst of je rug strijken. Pas dan realiseer je je dat je, net als zij, bedekt bent met bladeren en niets anders. Je kijkt om je heen en ziet dat de met bloemen versierde mensen nog steeds hand in hand om jullie heen dansen. Vlak voor je, binnen de kring, zie je ineens een groot houtvuur, waar¬van de vlammen soms metershoog oprijzen voordat ze in de lucht lijken te verdwijnen. Het meisje links van je en de jongen rechts van je grijpen je nog steviger bij je armen.

"Je geliefde wacht," zegt het meisje, haar gezicht dicht bij het jouwe.
Je kijkt haar aan. Ze werpt een blik op het vuur en kijkt dan weer naar jou.
Je kijkt naar de jongen, die je strak blijft aankijken. "Liefde verteert alles," zegt hij. "Alles."
Je schudt je hoofd. "Ik durf niet," zeg je, "alleen als jullie ook meegaan."
Het meisje glimlacht en schudt haar hoofd. "Niets kan tussen jou en je geliefde komen," zegt ze, "niets."
"Ik weet niet wat liefde is," zeg je. "Ik weet niet eens de naam van mijn geliefde."
De jongen kijkt je strak aan. "Het vuur is je geliefde," zegt hij. "Het vuur heeft geen naam."

Muziek begint te spelen. De jongen en het meisje dansen rond, jou met zich meevoerend. De muziek wordt steeds wilder en je vergeet waar je bent tot het vuur ineens voor je opdoemt. Het meisje laat je los en doet een stap achteruit. De jongen doet hetzelfde. Je kijkt van de een naar de ander. "En jullie," zeg je, "ik weet niet eens hoe jullie heten." Het volgende moment is het vuur aan alle kanten om je heen. Alles wordt wit, dan rood, daarna zwart.

Je voelt een hand op je schouder, maar als je je ogen opent, zie je niemand. Verbaasd kijk je om je heen. Je bevindt je in een grote zaal die uit louter zilver lijkt te bestaan: zilveren stoelen, zilveren wanden, een zilveren plafond, een met zilveren draden geweven tapijt op de vloer. Je voelt opnieuw een hand op je schouders en je kijkt om, maar je ziet opnieuw niemand.

Je voelt iets langs je armen strijken en langs je benen, als een warme adem. Het omstrengelt je aan alle kanten en je geeft je eraan over. Je gaat erin onder als in een droom. Liefde heeft je gevonden. Een stem zonder woorden dringt tot je door. "Doe een wens," zegt de stem, "en als het iets is wat je werkelijk nodig hebt, zal je wens in vervulling gaan." Je sluit je ogen en doet in stilte je wens.

Je wordt wakker uit een diepe slaap en als je je ogen open,t schijnt de maan in je gezicht. Je ligt op gras en mos. Je rekt je uit en krabbelt overeind. Vóór je slingert zich een zandweg tussen de bomen door. Als je je omdraait zie je de torens van een kasteel dat zich in de verte tegen de hemel afsteekt. In het licht van de maan schittert het kasteel alsof het van zilver is. Je werpt er een laatste blik op, draait je dan om en loopt het zandpad af.

Het kost je weinig moeite de licht glooiende heuvel bij het licht van de maan af te dalen. In de verte zie je een licht, dat als je er dichterbij komt een huis blijkt te zijn. Je opent de deur en gaat door de gang de huiskamer in. Er staan een paar stoelen. Je gaat op een van de stoelen zitten. Je voelt je prettig en ontspannen. Daarna open je je ogen, rekt je uit en komt langzaam weer terug in deze ruimte.

PS schenkt wijn in een beker, pakt de schaal met koekjes, luilakbollen of stukken meikoek van het altaar en zegt:

Ik zegen deze wijn en dit voedsel uit naam van de Oude Goden.

Ze neemt een slok wijn en geeft de beker met een kus aan P, waarbij ze zegt:

Blessed be!

P drinkt van de wijn en geeft de beker met een kus en de wens "Blessed be!" aan de vrouw die links van hem staat. De vrouw drinkt van de wijn en geeft de beker door. Daarna hetzelfde met de koekjes, bollen of stukken koek. PS pakt de beker, als die is rondgegaan, aan en zegt:

Moge deze meiboom als teken van onze eenheid altijd in onze gedachten blijven.

Ze heft de beker op naar de aanwezigen en neemt een slok van de wijn. Hierna wordt de Cirkel op de gebruikelijke wijze afgesloten.