Lammas

Tussen Midzomer en de herfstequinox werd door alle Indo-Europese stammen een Oogstfeest gevierd.

Door moderne heidenen wordt dit vaak als een Keltisch feest beschouwd, Lammas of Lughnasa genoemd en gevierd op 1 augustus.

In werkelijkheid werd het Keltische feest meestal half juli begonnen en half augustus afgesloten.

Ook de Germanen, Slaven en Scandinavische volkeren vierden in die periode een vergelijkbaar feest. Hiervoor kan de algemene benaming Oostfeest worden gebruikt, waarbij de nadruk in deze periode ligt op de graagoogst.

De essentie van het Oogstfeest

De graanoogst was vanouds een opeenvolging van religieuze handelingen. De hiermee verbonden rituelen en feesten waren van het hoogste belang voor de gemeenschap. Hierbij speelden zowel persoonlijke krachten (god en godin) als onpersoonlijke krachten (numen of macht) een rol.

Moeder Aarde en de Vegetatiegod vormen in de religie van de Steentijd een polariteit waaruit al het leven voortkomt. De god bevrucht Moeder Aarde en de daaruit voortkomende vegetatie is hun kind, een jongere uitvoering van de god. Tijdens de oogst sterft de god, maar hij wordt herboren in het zaad waarmee de aarde het volgend jaar opnieuw wordt bevrucht.

Bij de oogst is het de mens die de dood van de god veroorzaakt. Daarom moeten bepaalde handelingen verricht worden om niet voor deze overmoed gestraft te worden en ervoor te zorgen dat de levenskracht van de vegetatie niet verdwijnt, maar wordt bewaard en overgedragen op de nieuwe vegetatie van het komend jaar. Deze handelingen vormen de essentie van het Oogstfeest.

Graanoogsten zijn al duizenden jaren belangrijk. Op de foto linksboven toont de gids van de Oerartische burcht Cavustepe in Turkije versteend graan uit 750 v. Chr. dat in de burcht is gevonden.

Onderaan de foto rechtsboven twee bronzen sikkels uit 1250 v. Chr. uit Sakkizabat in Iran. Daarboven liggen twee terracotta sikkels uit Tell al Ugair in Irak uit 4500 v. Chr. Over de rituelen en feesten bij deze oude oogsten is helaas niets bekend. De sikkels zijn in het RMO in Leiden te zien.

Van kracht tot god of godin

De onpersoonlijke levenskracht, die de Romeinen numen en de Germanen macht of kracht noemden, werd geacht in elke graankorrel of vrucht aanwezig te zijn. Het opwekken, bewaren en overdragen van deze kracht was een zaak van levensbelang voor de gemeenschap. Voor een gewoon mens werd het zonder de hulp van de goden ondoenlijk geacht deze magische en mysterieuze kracht te beheersen.

Het magisch universum is het oudste door Edward Harrison in Masks of the universe (1985) onderscheiden masker dat de mensheid in de oude steentijd over de werkelijkheid plaatste (zie het stuk Wat is Heidendom?). In dit magische universum was de onpersoonlijke kracht, die in levende en levenloze materie huist, afdoende om het universum te verklaren.

Naarmate de mensheid zich verder losmaakte van het magische wereldbeeld, werd in toenemende mate het universum verklaard door de inwerking van goden, godinnen en andere persoonlijke wezens op de materie. De ontwikkeling van dit wereldbeeld, zo'n 5000 jaar geleden, door Harrison het mythisch universum genoemd, liep parallel aan de opkomst van landbouw en veeteelt als belangrijkste middelen van bestaan.

Oogstgebruiken door de eeuwen heen tonen een mengeling van een magische en een mythische wereldvisie. Enerzijds is het oeroude geloof in de alom tegenwoordige, onpersoonlijke kracht nooit verdwenen; anderzijds worden goden, godinnen en andere wezens vereerd die de oogst kunnen beÔnvloeden en daarom overvloed of hongersnood kunnen brengen. De goden kunnen worden gezien als de persoonlijke krachten die het onpersoonlijke numen van de vegetatie activeren en overdragen.

Zo werden vruchten door de Romeinen verbonden met de godin Pomona. Ze werd afgebeeld met vruchten in een mand of in een plooi van haar gewaad. In de renaissance was Pomona zeer populair. Zo is ze te zien in de tuin van paleis Sanssouci bij Potsdam. Zie de foto rechtsboven. Ook werd ze vaak op schilderijen en wandtapijten afgebeeld.

De oude en de jonge God

In de mythen van de Indo-Europese volkeren werd het wonder van de jaarlijkse cyclus van de natuur vaak beschreven als het samengaan van Moeder Aarde en de Vegetatiegod. De vegetatie is de jaarlijkse vrucht van hun eenwording.

Omdat de vegetatie het kind van de god en de godin is en tegelijk het zaad bevat voor de vegetatie van het volgend jaar, is in mythen vaak sprake van twee goden, die de geliefde van Moeder Aarde en haar kind vertegenwoordigen. De oude god wordt gedood als de vegetatie wordt geoogst, maar hij leeft voort in het zaad waaruit de vegetatie voor het volgend jaar zal ontspruiten.

Het doden van de oude god door de mens is een noodzakelijke handeling, die echter niet zonder gevaren is. Alleen door de oogst te plaatsen binnen het kader van een opeenvolging van rituele handelingen, kan de vegetatie ongestraft worden geoogst.

Demeter en Persephone

In Griekenland werd de vegetatie en met name het graan verbonden met de godin Demeter. De Homerische Hymne aan Demeter, geschreven tussen 650 en 600 v. Chr., zegt dat Demeter aan de Griekse vorsten de heilige riten leerde om de akkers te bewerken. Een van deze vorsten was Triptolemos. Bovenstaande foto's tonen de voor- en achterkant van een vaas die rond 510 v. Chr. is gemaakt in Attica (Athene) voor de Etruskische markt. Aan beide zijden zit Triptolemos op een troon, een scepter in de ene hand en drie van Demeter ontvangen graanhalmen in de andere.

In Griekse mythen was Demeter de godin van het graan, dat ze als geschenk aan de mensheid liet ontspruiten. Ze werd afgebeeld met graanhalmen in haar hand. In het graan op de velden zag men Demeter en haar dochter, Persephone, ook wel Kore (jonge vrouw) genoemd. Deze naam is afgeleid van de Indo-Europese wortel *ger (rijpen of groeien), waartoe ook koren en graan te herleiden zijn.

In mythen werd verteld hoe Hades of Pluto (Grieks Ploutos), de broer van Zeus en heerser over de onderwereld, Persephone ontvoerde naar zijn rijk en haar door middel van een list dwong daar jaarlijks enige tijd door te brengen. Het is een metafoor waarbij Persephone en Demeter het rijpende graan vertegenwoordigen.

De afbeeldingen van moeder en dochter zijn meestal niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden. De middelste vrouw op de foto rechtsboven wordt door wetenschappers geÔnterpreteerd als Demeter, met graanhalmen in haar rechterhand. De vrouwen links en rechts worden soms gezien als Demeter, soms als haar dochter Persephone, soms als een priesteres die deze Godinnen vertegenwoordigt. De vrouw rechts heeft in haar linkerhand een varkentje, het normale offer voor Persephone. De beeldjes, gemaakt tussen 300 en 150 v. Chr., zijn gevonden in Ariccia, een Romeins heiligdom voor Demeter (Ceres) en Persephone (Proserpina) vlakbij Rome. De beeldjes zijn te zien in het Museum Baden van Diocletianus in Rome.

Soms wordt Demeter voorgesteld als een volwassen vrouw met haar dochter als klein meisje op haar arm. De dochter wordt dan aangeduid als Kore (meisje), maar ook de volwassen Persephone wordt wel zo genoemd. De foto linksboven toont Demeter met haar dochtertje op een beeldje dat in de 4e eeuw v. Chr. is gemaakt in Carthago en dat zich nu in het Bardomuseum in Tunis bevindt.

Wie het graan maaide, sneed in zekere zin de ledematen van de godin en die van haar dochter af. Als dank en zoenoffer werden de eerste halmen aan Demeter aangeboden in de aan deze godin gewijde tempels. Demeter werd, naast Pomona, ook vereerd als de godin van vruchten, groenten en fruit.

De Grieks-Romeinse Vegetatiegod

De vegetatiegod was in Griekenland nog wel aanwezig, maar werd niet of niet meer met het graan vereenzelvigd. Niet openlijk tenminste. In de oudste mythen, beschreven door Homeros (Odyssee, V, 125) en Hesiodos (Theogonia 969-76), verenigde Demeter zich op de driemaal omgeploegde akker met Iasion (zie het artikel over Imbolc) en de vrucht van hun eenwording was Ploutos, door de Romeinen Pluto genoemd..

De rol van Ploutos als vegetatiegod verdween later naar de achtergrond en tenslotte was hij bijna alleen nog maar de Heer van de Onderwereld.

Toch zijn de wortels van Ploutos als vegetatiegod door de Grieken nooit helemaal vergeten en ook de Romeinen vereerden Pluto nog wel als brenger van vruchtbaarheid en overvloed. Een Romeins reliŽf in het Museum Altemps in Rome toont Pluto met in zijn linkerhand een hoorn van overvloed, staand tussen Persephone en Jupiter.

Een andere verschijningsvorm van de Griekse vegetatiegod, Dionysos, werd later alleen nog met de druivenoogst verbonden, hoewel hij oorspronkelijk ook betrekking had op de overige vegetatie.

Ceres, Liber en Libera

Ook door de Romeinen werd het graan vereenzelvigd met een godin, Ceres (zie het artikel over Beltane). Brood werd door de Romeinen munera cerealia (geschenk van Ceres) genoemd. In 493 v.Chr. werd na een hongersnood het orakel van de sibille van Cumae geraadpleegd. Op advies van de sibille werd de cultus van Demeter in Rome geÔntroduceerd. Ceres, Liber en Libera kregen een tempel bij de Aventijn.

De sibillen werden gekerstend als de profetessen die de komst van Christus zouden hebben aangekondigd. In de kathedraal van Siena zijn in 1492 verschillende sibillen op de marmeren vloer afgebeeld, onder wie de sibille van Cumae (zie de foto rechts).

Liber was een inheemse vegetatiegod. Libera was zijn partner. De Liberalia op 17 maart (zie het artikel over Ostara) werden ter ere van deze godin gehouden. Hoewel ze inheems waren op het Italiaanse schiereiland en een eigen cultus moeten hebben gehad, werden Ceres, Liber en Libera al snel overschaduwd door Griekse voorbeelden. Ceres werd gelijkgesteld aan Demeter, Libera aan Persephone en de Griekse verhalen over Demeter en haar dochter werden op Ceres en Libera overgebracht.

Ceres werd, net als Demeter en later de Maagd Maria, met graanhalmen in de hand afgebeeld. Liber werd door de Romeinen vaak gelijkgesteld aan Dionysos, waardoor deze god het karakter van wijngod kreeg, die de oudere vegetatiegod overschaduwde. Ook voor de Romeinen was het graan daarmee een manifestatie van de graangodin en haar dochter, waarbij de god op de achtergrond was geraakt.

Van Graangod(in) tot demon

In de vroege middeleeuwen werden heidense oogstgebruiken waar mogelijk verboden of gekerstend. De Maagd Maria nam de plaats van de Romeinse graangodin in. Wat niet op Maria betrokken kon worden, werd toegeschreven aan demonen of heksen, die met de Duivel in verbinding zouden staan.

Het werd als een doodzonde gezien om heidense oogstgebruiken in ere te houden. De graandemon werd een wezen om bang voor te zijn, een boeman waarvoor de kinderen gewaarschuwd werden.

Toch lieten de graangod en de graangodin zich niet zonder meer verdrijven. In oogstgebruiken die vanaf de middeleeuwen zijn opgetekend, werd het laatste graan vaak de Oude Vrouw, Arenmoeder of Korenmoeder genoemd, soms ook de Korenmaagd. Ook de graangod bleef in oogstgebruiken een rol spelen, vermomd als de Oude Man, de Roggeman, de Tarweman, de Oogstman en dergelijke benamingen.

Wodan en Vrouw Holle

In zijn Deutsche Mythologie (1874) toont Jacob Grimm aan dat Wodan voor de Germanen met de vruchtbaarheid van de akker en ook met de oogst verbonden was. De mythen en gebruiken met betrekking tot de cyclus van zaaien en oogsten werden echter meest in de late middeleeuwen en soms pas in de 19e eeuw opgeschreven. Tegen die tijd waren hun oorspronkelijke vorm en betekenis meestal niet meer te achterhalen.

Binnen het christendom werden Germaanse goden, godinnen en andere bovennatuurlijke wezens misvormd tot demonen. De betrokkenheid van Wodan bij de oogst is nog wel af te leiden uit Duitse oogstgebruiken, waarbij men een aantal graanhalmen op de akker liet staan, "voor het paard van Wodan". In Oldenburg werd hier omheen gedanst. De laatste schoof werd in Duitsland Erntewod genoemd. Ook het gebruik om na de oogst Wodelbier te drinken wijst op het verband tussen Wodan en de oogst.

In Schaumburg offeren de maaiers na het beŽindigen van de graanoogst wat bier of wijn op de akker en roepen daarbij: "Wold! Wold! Wold!" Tot het eind van de 18e eeuw werd daarbij een lied gezongen ter ere van Wold (Wodan), dat eindigde met: "Hei is nig barn un wert nig old" (Hij is niet geboren en wordt niet oud).

Een Germaanse graangodin is niet overgeleverd via mythen of middeleeuwse beschrijvingen. Toch moeten de Germanen het graan met een vorm van Moeder Aarde vereenzelvigd hebben. Waarschijnlijk hebben Freya, Holda of Perchta hier een rol in gespeeld. Vaak liet men drie halmen op de akker staan "fŁr Frau Holle". Tijdens oogstgebruiken in de voormalige Germaanse gebieden werd tot ver in de 20e eeuw de graangeest of graandemon zowel vrouwelijk als mannelijk voorgesteld.

Van goden en geesten

In Spirits of the corn and the wild, het 7e deel van The golden bough, merkt James Frazer op dat de Europese graangebruiken eerder magisch dan religieus van aard zijn. De handelingen, zegt Frazer, zijn erop gericht bepaalde natuurlijke processen te beÔnvloeden of op gang te zetten. Daarbij zijn volgens hem geesten (spirits) belangrijk en spelen Goden geen rol van betekenis.

Geesten definieert Frazer als wezens met een beperkte invloedssfeer, bijvoorbeeld de geesten van de haver of die van de rogge. Geesten zijn beperkt tot ťťn bepaalde akker en de geest sterft als de akker is gemaaid.

Geesten hebben meestal alleen een soortnaam, bijvoorbeeld Roggemoeder. Geesten hebben geen geschiedenis, geen verleden, geen mythen. Ze zijn er hier en nu. Oogstgebruiken rangschikt Frazer op deze gronden onder de noemer primitief.

Veel oogstgebruiken zijn te verklaren uit het omgaan met geesten, zoals ze door Frazer zijn gedefinieerd. Voor een ander deel zijn de handelingen gericht op het opwekken van de onpersoonlijke kracht die Frazer slechts een zeer ondergeschikte plaats in zijn theorieŽn heeft toebedeeld.

Oogstgebruiken in de middeleeuwen

In de middeleeuwen leefden de heidense goden niet meer zo onder het gewone volk en hun namen was men vrijwel vergeten, maar de levenskracht die in elke graankorrel en in elke splinter van elke boom huist, die kracht was nog springlevend.

Het onderkennen van deze levenskracht is ouder dan het vereren van persoonlijke goden en zit dieper geworteld. Daarom liet men onder invloed van het Christendom het geloof in de oude goden vrij gemakkelijk los, maar bleven de gebruiken rond het activeren van de levenskracht bestaan zolang de oogstgebruiken in ere gehouden werden.

In het portaal van de kathedraal van Saint Denis in Frankrijk zijn de twaalf maanden van het jaar afgebeeld naar de werken die in de betreffende maand belangrijk zijn. Voor juli is dat de graanoogst (zie de foto rechtsboven). Een man snijdt met een sikkel graanhalmen af. Onder de man is een Groene Man te zien met vegetatie die uit zijn mond komt. Dergelijke Groene Mannen zijn ook tussen de andere maanden afgebeeld.

Verdwijnen van de oogstgebruiken

De steeds verder gaande mechanisatie van het landbouwbedrijf in de 19e en 20e eeuw maakte vele handelingen onmogelijk of overbodig. De secularisatie van de samenleving, waarin geen plaats meer was voor rituelen en magische gebruiken, gaf in veel gevallen de nekslag aan een jaarfeest dat vele duizenden jaren had bestaan.

De foto linksboven toont de werktuigen die bij het handmatig maaien werden gebruikt, zoals een zeis en een zicht, evenals werktuigen om ze scherp te maken. Tentoongesteld in het Historisch Museum Warsenhoek in Nieuwegein.

De foto rechtsboven toont oogstmachines in het Museum 10 Malen in Schovenhorst. Latere, meer geavanceerde machines, zoals de combines, maakten het handmatig oogsten in West-Europa en de Verenigde Staten overbodig en onrendabel.

De foto rechtsboven geeft een relief waarop een Romein met een sikkel graan oogst.

Zo'n tafereel lijkt voorgoed tot het verleden te behoren. Toch wordt in grote delen van de wereld nog steeds met de hand geoogst. In Turkije zijn daarom op iedere markt sikkels te koop voor huiselijk gebruik. Zie de foto linksboven.

De akker als universum

In de oudheid was de oogst een heilige, rituele handeling, net als het ploegen en zaaien. Met het ploegen wordt de schoot van Moeder Aarde geopend. Tijdens de eenwording van de vegetatiegod of hemelgod met de aardgodin wordt het zaad gezaaid dat in haar schoot ontkiemt. De nieuwe vegetatie is het kind van de godin en de god, een jongere uitvoering van de god zelf. Als de vegetatie wordt geoogst, wordt de god gedood, om later in de nieuwe vegetatie herboren te worden.

Dit beeld moet niet letterlijk opgevat worden. Onze voorouders geloofden niet dat ze een god doodden met elke graanhalm die ze maaiden. In feite was de vegetatie als geheel het lichaam van de god. In laatste instantie is dat de vegetatie op de hele aarde. In het heidense volksgeloof spelen dergelijke abstracte begrippen echter geen rol. Het volksgeloof is gericht op het hier en nu. Tijdens het ploegen, zaaien en oogsten is de wereld niet groter dan de akker. De vier hoeken waarmee de akker wordt afgepaald, zijn de uithoeken van het universum waarbinnen de kringloop van het leven -zaaien, oogsten en weer zaaien- zich afspeelt.

De Franse beeldhouder-schilder Alfred Boucher (1850-1934)heeft de essentie van de (graan)oogst uitgebeeld in geŽmailleerde kiezelzandsteen (zie de foto rechts). Een naakte jonge vrouw staat in een korenveld en houdt in haar linkerhand afgesneden aren. In haar haren een bloemenkrans en korenaren. Ze houdt de sikkel boven haar hoofd, gereed om opnieuw toe te slaan. Ze brengt nieuw leven en de dood terwijl ze het korenveld transformeert in een tempel waarin de Graangod geofferd wordt. Het offer brengt nieuw leven dat overal om de vrouw heen ontluikt. De pruimenboom onder haar (niet zichtbaar op deze foto) heeft takken vol vruchten die links en rechts van de afbeelding omhoog gaan. Om haar heen schieten margrieten en distels uit de grond.

In The myth of the eternal return (1954) merkt godsdienstwetenschapper en filosoof Mircea Eliade met betrekking tot de jaarfeesten op: 'De mens doet niets anders dan de schepping herhalen; zijn religieuze kalender is een viering, binnen de tijdsspanne van een jaar, van de schepping van de kosmos die in het begin plaatsvond. In feite is het heilige jaar een eindeloze herhaling van de schepping; de mens is getuige van de schepping van de wereld en de schepping van de mens daarin omdat het ritueel hem binnen het mythische tijdperk van het begin plaatst.' (p 22)

Zoals de magische cirkel zijn eigen sfeer creŽert, zo schept ook de oogstcyclus een eigen realiteit. Binnen de sacrale jaarcyclus wordt de vegetatiegod geboren, sterft en wordt herboren. Binnen de sacrale ruimte vormt de akker het universum. In De magie van het alledaagse (1957/1987) beschrijft Eliade hoe de historische tijd door rituele handelingen geheiligd wordt tot een mythische tijd, waarbinnen een nieuwe realiteit, een nieuw universum, wordt geschapen.

In de heilige cyclus van zaaien en oogsten is de akker niet een onbetekenend veldje in een veel grotere wereld. Tijdens het zaaien en oogsten is de mythische ruimte van de akker gelijk aan de wereld, Moeder Aarde zelf. In dat opzicht is het onderscheid tussen geesten en goden, zoals door Frazer gedefinieerd (zie boven), niet relevant. De vegetatie op deze akker is het lichaam van de god en door alle halmen van de akker af te snijden, wordt de god van Moeder Aarde gescheiden en gedood.

Rond de eerste en laatste halmen die worden geoogst, bestaan vanouds speciale gebruiken. De eerste halmen die worden gemaaid, geven aan dat de oogst is begonnen. Dat is een belangrijk moment, de overgang van de gewone tijd naar de mythische tijd; de overgang van de gewone ruimte naar de mythische ruimte. De laatste halmen die worden gemaaid, geven aan dat de oogst is voltooid. Het is het moment dat de vegetatie van het oude jaar ophoudt te bestaan; het moment dat de god wordt gedood.

De laatste graanhalmen die werden gemaaid, werden door onze heidense voorouders met eerbied en ontzag behandeld. De god had zich in deze laatste halmen teruggetrokken en als de levenskracht van de oude vegetatie ergens bewaard bleef, dan was het in deze laatste halmen.

De verschillende oogsten

In plaats van de graanoogst kan ook een andere oogst centraal staan in het Oogstfeest. Het gaat erom welke gewassen het belangrijkste middel van bestaan vormen. In Ierland was vanaf de 18e eeuw de aardappeloogst belangrijker dan de graanoogst. De hooioogst, die in onze streken meestal in de maand juli plaatsvindt, was vanouds omgeven met gebruiken, analoog aan die van de graanoogst. Voor vlasoogst, hopoogst en andere oogsten bestonden soortgelijke gebruiken op plaatsen waar deze oogst belangrijk was als middel van bestaan.

De oogsttijd

Het traditionele Oogstfeest is een samenhangend geheel van handelingen, dat de vruchtbaarheid van de oude oogst op de nieuwe vegetatie moet overbrengen.

Vaak nam de oogst enkele dagen of weken in beslag en dan waren er rituele handelingen gedurende de gehele periode, met name aan het begin en het eind van de oogst. Het feest na het binnenhalen van de oogst vormde de afsluiting en het hoogtepunt van dit meerdaagse jaarfeest.

Over het algemeen was er een vaste dag om met een bepaalde oogst te beginnen. Zo begon men in Nederland en de omringende landen de roggeoogst meestal op Sint Jacob (25 juli), ook wel Sint Joapik genoemd. Soms begon men op Sint Margriet (20 juli) of Sint Anna (26 juli). Hiervan werd alleen afgeweken als extreme weersomstandigheden daartoe noodzaakten.

Gewoonlijk werd een eerste Oogstfeest -het begin van de oogst- op Sint Jacob zelf gevierd, soms op de zondag erna, die in Vlaanderen en Zuid-Nederland daarom soms Maaierszondag werd genoemd. Het Maaierszondagsfeest in Sevenum (Limburg) trok in 1952 nog 30.000 bezoekers. Het voltooien van de oogst bepaalde wanneer het Oogstfeest werd afgesloten.

Het feest voor Maria Hemelvaart (zie onder) heeft veel oogstgebruiken naar zich toe getrokken, zoals in Engeland het Lammasfeest (zie onder) dat heeft gedaan.

Het witte graan

In zijn boekje Als de oogst wordt ingehaald (1935) geeft D.J. van der Ven enkele foto's van de verschillende oogsten rond 1930 in de Achterhoek en Twente, waarbij de vrouwen geheel in het wit gekleed gaan. De meisjes op de foto rechtsboven dragen de in Twente gebruikelijke oogstdracht.

Op de foto hieronder de Sint Joapiksdracht van maaiers en bindsters in Borculo.

In heel Europa was deze witte oogstkledij een bekend verschijnsel, dat teruggaat op de heidense symboliek van de kleur wit. De Indo-Europese wortel *kweid of *kwitnos betekende "glanzend" of "schijnend". De Germaanse wortel *khwitaz had nog deze brede betekenis. Alles wat glansde of zilverkleurig was werd wit genoemd. Tarwe, de eerste graansoort die in de Nieuwe steentijd verbouwd werd, lang vůůr de komst van rogge en haver, werd ook "wit" genoemd. De Oudhoogduitse naam voor tarwe, Weizzi, heeft het Duitse Weizen, het Nederlandse weit, het Engelse wheat, het Zweedse hvete, het Deense hvede en nog vele andere vormen opgeleverd.

Voor de Indo-Europese volkeren was wit de kleur van de hemelgod. Vishnu en Wodan werden voorgesteld op een wit paard. Wit was de bliksem die de dondergod naar de aarde wierp. De naam van de hemelgod is, zoals gezegd, vaak te herleiden tot "glanzend" of "wit". De namen van de Keltische goden Bel en Lugh (zie onder) verwijzen naar het glanzende witte licht dat ze uitstralen. In Rome droeg de flamen Dialis, de priester van Jupiter, een hoog wit hoofddeksel. Wit waren de stieren die aan Jupiter geofferd werden.

Wit was de kleur van de god, maar ook de godin werd vaak als zodanig gezien. Perchta betekent glanzend. Holda werd vaak voorgesteld als half wit en half zwart. Voor de Germanen was wit een kleur die goddelijke kracht vertegenwoordigde. Wit had daardoor een sterke afwerende werking. Wie witte kleding droeg, werd door de Goden voor onheil behoed. Wit was ook de kleur van de godin die de doden meenam naar de andere wereld. In die zin was wit niet alleen de kleur van de hemelgod en van het levenbrengende graan, maar ook de kleur van de dood.

Binnen het christendom kreeg de kleur wit al snel een andere betekenis. Weliswaar draagt de Paus nog steeds het wit dat ooit aan de Oppergod Jupiter toebehoorde, maar verder werd wit enerzijds geassocieerd met onschuld en maagdelijkheid, anderzijds met demonen en onheil. De wit glanzende godinnen werden in het volksgeloof tot witte wieven en demonen, die je naar het leven staan als je ze een strobreed in de weg legt.

De witte tarwe was voor onze heidense voorouders het lichaam van de God die tijdens de oogst werd gedood. Voor dat ritueel diende je je op gepaste wijze te kleden. De witte kleding van de vrouwen beschermde ze tegen het gevaar dat het oogsten met zich meebracht. De mannen droegen tijdens de oogst meestal geen witte, maar wel altijd schone en vaak speciale kleren, die alleen tijdens de graanoogst gedragen werden.

Het begin van de oogst

Het oogsten is een heidens ritueel bij uitstek. Vanaf de vroege middeleeuwen zijn oogstgebruiken opgetekend die zich laten verklaren als evenzovele manieren om de kracht van het graan op de akker op te wekken voordat de halmen worden afgesneden.

In Wales was het de gewoonte om voorafgaand aan de oogst een rite uit te voeren die rhiho werd genoemd. Hierbij gingen drie paren mannen tegenover elkaar staan, waarbij elk de handen van de overbuurman vasthield. Een man en een vrouw gingen omstrengeld op dit bed gevormd door zes armen liggen en werden een paar keer zo hoog mogelijk in de lucht gegooid.

Op veel plaatsen was het gebruikelijk dat een jongen en een meisje voorafgaand aan de oogst samen over de grond rolden, waarbij ze haar benen om de zijne heen geslagen hield. In Duitsland werd dit walen genoemd.

Voordat met het maaien werd begonnen, versierden de maaiers zeis of zicht met bloemen en staken ze ook bloemen op hun hoed. Bepaalde taboes waren vrij algemeen, zoals het verbod een woord te spreken voordat de eerste halmen gemaaid waren. Geschreeuw, gejuich, geweerschoten of zweepgeknal gaf dan het magische teken dat de oogst kon beginnen.

Vaak werd de kracht van de vorige oogst op een bepaalde manier gebruikt voor de nieuwe oogst. Zo werden op Vastenavond of Goede Vrijdag uit de halmen van de vorige oogst banden gevlochten waarmee in de zomer de schoven van de nieuwe oogst gebonden werden.

Met de eerste halmen die werden gemaaid, werd altijd iets gedaan. Soms vlocht elke maaier van de eerste drie halmen een gordel die hij gedurende de hele oogst droeg om zichzelf te beschermen. Vaak werden de eerste halmen of de eerste bundels terzijde gelegd, naar men zei voor de muizen of vogels, die dan de rest van het graan met rust zouden laten. Van de eerste halmen werd ook vaak een oogstkrans gemaakt. Soms werd deze aan de kerk aangeboden en daar opgehangen.

Als de eerste garve gebonden was en nog op de grond lag ging, met name in SileziŽ (Polen) en delen van Duitsland, de bindster hier schrijlings op zitten om de vruchtbaarheid van haar schoot op de nieuwe oogst te laten overgaan. Soms ging de maaier op de eerste garve of op de pas gemaaide akker zitten, maar dat had dan een andere reden. Door contact te maken met de aarde of met het net gemaaide graan, beschermde de maaier zichzelf tegen pijn, rugklachten en verwondingen die hij als gevolg van de oogst zou kunnen oplopen.

In het Ertsgebergte staken de maaiers drie halmen uit de eerste schoof zodanig onder hun gordel dat ze er gemakkelijk uit vielen. Door de aren tijdens het oogsten te verliezen, zouden de maaiers pijn en ongelukken kwijtraken. Uit veel oogstgebruiken blijkt dat vrouwen door hun handelingen vruchtbaarheid overbrengen, terwijl mannen zichzelf beschermen tegen de gevaren die ze lopen.

Gewoonlijk werden magische kruiden in de eerste garve gebonden en werd deze met wijn of water overgoten om de vruchtbaarheid van de hele oogst te verzekeren. Vaak werd de eerste garve op het erf gegooid en bleef daar het hele jaar liggen. Ook dit werd als een zoenoffer voor de muizen beschouwd. Waarschijnlijk was dit oorspronkelijk een offer voor de geesten van de overledenen, die geacht werden zich als muis in de buurt van de boerderij op te houden. Onder kerkelijke invloed werd deze schoof later aan de armen geschonken, als plaatsvervangers voor de arme zielen (zie het stuk over Samhain). Ook werd het graan van de eerste garve wel in de kerk gewijd, zoals in Engeland tijdens het Lammasfeest (zie onder).

De laatste schoof

In de loop der eeuwen verloor het heilige oogstritueel veel van zijn kracht en glans, maar de gebruiken rond het oogsten van de laatste korenschoof werden tot in de twintigste eeuw in ere gehouden. Zelfs als men aannam dat een demon of monster zich tijdens de oogst in de laatste schoof terugtrok, had men ontzag voor dit wezen en werd de laatste schoof met een zeker respekt behandeld.

In de Achterhoek werd de laatste schoof aangeduid als 'het Olle Wief' (de oude vrouw). Van der Ven legde in 1926 in Ruurlo het moment vast dat iedereen juicht omdat het Olle Wief in de laatste schoof is gevangen. Zie de foto linksboven. Om het Olle Wief te eren, danste de boer daarna met de laatste schoof. Zie de foto rechtsboven.

Over het algemeen had men tweeslachtige gevoelens over de laatste schoof. In Duitsland kreeg degene die de laatste halmen maaide een dubbele portie bij het feestmaal dat na afloop werd gehouden en mocht hij met ieder meisje dansen tijdens het Oogstfeest. Aan de andere kant was het een schande om de laatste schoof te maaien of te binden en deed men alles om dit te voorkomen. Het is duidelijk dat men ervoor terugschrok de laatste halmen door te snijden. In Ierland werden ze cailleach (oude vrouw) genoemd. Van grote afstand werden sikkels naar de cailleach gegooid omdat niemand er dichterbij durfde te komen. Soms werden de laatste halmen door alle maaiers tezamen doorgesneden, zodat niemand persoonlijk aansprakelijk was.

De laatste schoof kreeg de naam van de vegetatiegod of -demon die werd geacht zich in de schoof op te houden. De schoof werd bijvoorbeeld Grootvader, Grootmoeder, Haverman of Roggemoeder genoemd. In Duitsland riep men tegen de laatste maaier: 'Du hast den Alten und musst ihn behalten!' De schoof werd vaak in mensenvorm gemaakt. Ook werd de maaier zelf wel in het stro ingepakt en moest hij zo op het feest met alle meisjes dansen.

Vaak werd de vegetatiegod of korendemon voorgesteld als een dier, dat werd geacht zich in de laatste schoof terug te trekken. Haan, haas, geit en wolf zijn veel voorkomende vormen. In de Achterhoek en Twente werden de stoppels van de gemaaide akker StŲppelhaene genoemd en ook het oogstfeest in Raalte, dat nog steeds bestaat, kreeg deze naam. In Saksen, Hannover en Westfalen kent men ook de Stoppelhahn.

In veel landen werd een dier geofferd na of tijdens het maaien van de laatste halmen. In Duitsland, Polen, Hongarije en Noord-Frankrijk bestond het gebruik een haan op de akker in te graven zodat alleen de kop boven de aarde uitstak. Met de sikkel of zicht werd dan met de laatste halmen de haan onthoofd. Dit werd haanslaan genoemd. Dit gebruik is enerzijds te beschouwen als een zoenoffer voor het doden van de god, anderzijds vertegenwoordigt het dier de god zelf en symboliseert het slachten van het dier het doden van de god. Het eten van het geslachte dier tijdens het feestmaal is een tot zich nemen van de goddelijke kracht.

Vrouwen speelden vanouds een grote rol bij het overdragen van de vruchtbaarheid op de laatste garve. Vaak is voorgeschreven dat ze op de laatste garve gaan zitten voordat deze op de wagen wordt gezet en dat ze op de wagen plaatsnemen terwijl deze de laatste garve door het dorp naar de schuur brengt.

In Zuid-Limburg werd de laatste schoof martelgaus genoemd. Op de vier hoeken van de laatste oogstwagen, waarop deze schoof vervoerd werd, plaatste men een berkenmei (zie onder). Het paard dat de wagen trok, was versierd met bloemen en vaantjes. Bij de boerderij aangekomen werd de martelgaus op de binnenplaats gezet en men danste er omheen, waarbij elke maaier de schoof omhelste. Daarna werd werd de martelgaus door de oudste knecht met een dorsvlegel uiteengeslagen. Het is een uitbeelding van de dood van de vegetatiegod, aan wie op waardige wijze door alle betrokkenen eer wordt betoond, voordat hij tenslotte uiteengeranseld wordt.

Meestal werd de laatste garve feestelijk rondgevoerd en naar de hoeve gebracht waar het feest gevierd werd. Soms werd de laatste schoof verbrand en werd de as voordat men in het vroege voorjaar weer ging zaaien over de akkers gestrooid. Soms werden de graankorrels van de laatste halmen in het kerstbrood verwerkt. Aan dat brood werden dan wonderbaarlijke krachten toegeschreven (zie het stuk over Midwinter). Meestal werd een deel van de laatste graankorrels door het nieuwe zaaigoed verwerkt om de levenskracht van de oude oogst op de nieuwe vegetatie over te brengen.

Graanpoppen en corn dollies

Op vele plaatsen in Europa werd de laatste schoof als een menselijke gestalte gevormd en feestelijk aangekleed of versierd. Dit kon zowel een man als een vrouw zijn.

In Mecklenburg opende de heer des huizes het oogstfeest door te dansen met de pop die van de laatste garve gemaakt was.

In Engeland kreeg de pop meestal een witte jurk en werd corn dolly of kern baby genoemd. Soms werd met de oogstpop gedanst.

Van het laatste graan dat werd geoogst, maakte men in Engeland ook kleine poppetjes of abstracte figuurtjes, eveneens corn dollies genaamd, die aan de muur gehangen werden tot de volgende oogst.

Ook werden de graankorrels van de Corn Dollies wel door het zaaigoed van het volgend jaar gemengd. De Corn Dolly bewaart de vruchtbaarheid van de oogst tot deze weer nodig is om de kracht op de nieuwe oogst over te dragen.

Zie het stuk over Imbolc voor meer informatie over corn dollies.

De oogstmei

Algemeen gangbaar was het gebruik bij het afsluiten van de oogst een boompje of versierde tak op de laatste schoof of de laatste oogstwagen te zetten. In Duitsland werd dit een Erntemai genoemd, in Nederland sprak men van oogstmei. De vruchtbaarheid brengende meiboom of meitak is daarbij overgedragen op het Oogstfeest. Gewoonlijk werd de oogstmei na het binnenbrengen van de laatste schoven boven de schuurdeur gespijkerd of aan de schoorsteen bevestigd en bleef daar hangen tot de volgende oogst.

Het oogstfeest

Verschillende oogstfeesten werden gehouden vanaf het moment dat de eerste graanhalmen werden gemaaid tot de oogst was voltooid en de laatste oogstwagen was binnengebracht.

Op het Europese vasteland werd het begin van de oogst met name gevierd op Sint Jacob. In de Keltische gebieden bestond de gewoonte het feest rond 1 augustus te concentreren, halverwege de oogst, die meestal tussen half juli en half augustus plaats vond. In Ierland was dit Lughnasa.

In Engeland was het oogstfeest, onder de naam Lammas, vooral een viering van het brood dat van het nieuwe graan was gebakken. Het afsluiten van de oogst vond meestal medio augustus plaats. Vaak werd dit op Maria Hemelvaart gevierd. Vorm en inhoud van het Oogstfeest konden variŽren per streek, maar altijd was er sprake van een ritueel waarin de vruchtbaarheid van de vegetatie werd overgedragen van de ene oogst op de volgende. In de loop van de twintigste eeuw zijn veel rituele handelingen als onderdeel van het oogstfeest verdwenen en vaak is er niet mťťr overgebleven dan een dankfeest voor de nieuwe oogst, waarbij wordt gegeten, gedronken en plezier gemaakt, zonder dat nog van enige religieuze betrokkenheid sprake is.

Lughnasa

Het Ierse Lughnasa (spreek uit: loenasse), ook geschreven als Lughnasadh of als Lugnasad, betekent "Lughs feest". De naam voor de maand augustus in het Ierse Gaelic, Lķnasa, is hiervan afgeleid. In Schots Gaelic heet het feest Lunasda, terwijl men op het eiland Man spreekt van Laa Lhuanys of Laa Lhunys.

De verschillende vormen zijn afgeleid van de naam van de god die in Ierland en Schotland Lugh (spreek uit: loe) werd genoemd, op het eiland Man Lug of Luan heette en in Wales Lleu of Llew, terwijl hij op het Europese vasteland bekend stond als Lug, Lugus of Lugos. Een aantal plaatsnamen op het Europese vasteland is vrijwel zeker tot deze god te herleiden, zoals Lugano (Luganum) in Zwitserland, Laon (Lugdunum Clavatum) en Lyon (Lugdunum Celtarum) in Frankrijk, Carlisle (Luguvalium) in Engeland en Leiden (Lugdunum Batavorum), om maar enkele van de bekendste te noemen. In alle gevallen betreft het een Romeinse stad die op de plaats van een oudere Keltische nederzetting of versterking ("dun") is gesticht. Veel naar Lugh genoemde plaatsen zijn spoorloos verdwenen of alleen uit oude documenten bekend.

De verspreiding van zijn naam over Europa toont aan hoe belangrijk de god was voor de verschillende Keltische stammen. Zijn plaats in het Keltische pantheon is moeilijk aan te geven. Hij werd gezien als een oorlogsgod, maar ook als een groot magiŽr en tegelijk als iemand die alle kunsten en ambachten beheerste.

De Romeinen stelden hem gelijk aan Mercurius, de god die alles met alles verbindt; de god ook die het hemelrijk als zijn element beschouwt en zich moeiteloos door de lucht verplaatst.

Lugh wordt vaak verbonden met Tailtiu, een Ierse godin, die in een aantal mythen als zijn voedster wordt voorgesteld. Ze maakte grote delen van Ierland geschikt voor landbouw en stierf als gevolg van deze krachtsinspanning. Ter ere van haar zou Lugh na haar dood het feest van Lughnasa hebben ingesteld.

Robert Graves stelt in The White Goddess, p 302, dat dit een verwrongen versie is van een oudere mythe, waarin het Lugh zelf was die werd geofferd. Tailtiu is de Keltische versie van Moeder Aarde en Lugh de hemelgod die oorspronkelijk haar geliefde was en in de latere mythen als haar pleegzoon werd voorgesteld.

In de Ierse mythen leidt Lugh de Tuatha de Danaan, het volk van de godin Dana, in de strijd tegen de Fomoren, de oorspronkelijke bewoners van Ierland. De koning van de Fomoren, Balor, is de grootvader van Lugh, die door zijn kleinzoon gedood wordt. Dit komt overeen met de mythen van vele volkeren, waarbij de god of koning wordt gedood door zijn zoon of kleinzoon en in deze jongere bloedverwant als het ware herboren wordt. Wat hier gewoonlijk achter schuilgaat, is een oudere mythe van een vegetatiegod die door het afsnijden van de korenhalmen of enige andere gewassen wordt gedood en later in de nieuwe vegetatie wordt herboren.

De Indo-Europese hemelgod, die overal de inheemse vegetatiegod verdrong, vertegenwoordigde het licht, dat een polariteit vormde met de duisternis van Moeder Aarde. Vaak is de naam van de hemelgod, zoals Zeus of Dyaus, te herleiden tot de Indo-Europese wortel *dei, die "schijnen" of "schitteren" betekende. Lugh is afgeleid van de Indo-Europese wortel *luk, die "licht" en "wit" aanduidde. Het Latijnse lux (licht), luna (maan) en lucifer (lichtbrengend) zijn hiervan afgeleid, net als het Nederlandse licht. Lugh is de lichtgod die zich met de donkere aarde verenigt. Uit deze eenwording komt de nieuwe vegetatie voort. Lugh zelf is ook geboren uit de eenwording van een hemelgod (Cian mac Cainte) met een van de Fomoren (Ethniu, de dochter van Balor).

In een aantal Ierse mythen wordt het ontstaan van Lughnasa verklaard door de geschiedenis van Carman die met haar drie zoons heel het land op magische wijze in een woestenij veranderde. De zoons heten Calma (de dappere), Dubh (de zwarte) en Olc (de slechte). Met de grootste moeite slaagden de Ieren erin de zoons uit Ierland te verdrijven. Carman bleef als gijzelaarster achter, maar ze kon haar zoons niet missen en stierf van verdriet. Zoals de meeste mythologische figuren is Carman een vat vol tegenstrijdigheden. Enerzijds is ze een boze tovenares die het land verwoest. Anderzijds is ze de godin van het land, die haar lichaam beschikbaar stelt om leven in Ierland mogelijk te maken. De bevolking is ook niet blij en opgelucht als Carman is gestorven, maar diep bedroefd. In de plaats Carmun in Leinster werd het feest Lughnasa ingesteld ter ere van haar. Nog in de late middeleeuwen zei men dat Carman het hele jaar zou zorgen voor een overvloed aan graan, melk, vruchten, vissen, vrijheid en geluk als ze maar werd geŽerd door het vieren van haar feest op Lughnasa. Als het feest werd verwaarloosd, zei men, zou er honger en dorst over Ierland komen en het land zou onderworpen worden door een ander volk. De drie zoons van Carman zijn waarschijnlijk een overblijfsel van oudere verhalen rond de godin van het land en de vegetatiegod die haar geliefde is en wordt geofferd met de oogst.

In de Mabinogion, de uit de 14e eeuw daterende verzameling verhalen uit Wales, zijn de goden en godinnen geworden tot gewone stervelingen, die hooguit over vreemde gaven en magische krachten beschikken. In een van deze verhalen zweert Arianrhod nog maagd te zijn en moet om dat te bewijzen over de magische staf van haar oom Math stappen. Op het moment dat ze dat doet, baart ze, waar iedereen bij is, twee kinderen, Dylan en Lleu. Hierdoor voelt ze zich zo vernederd dat ze een vloek over Lleu uitspreekt. Hij zal nooit een naam hebben, nooit wapens dragen en nooit een vrouw van vlees en bloed hebben.

Gwydion, de broer van Arianrhod en waarschijnlijk ook de vader van haar kinderen, zorgt ervoor dat Arianrhod aan Lleu zonder het te weten zelf een naam en wapens geeft. Met zijn oom Math maakt Gwydion voor Lleu een vrouw uit eik, brem en moerasspirea, die hij Blodeuwedd (Bloemengezicht) noemt. Blodeuwedd bedriegt Lleu met een ander en laat hem door haar minnaar vermoorden als ze hem heeft weten te ontfutselen hoe hij gedood kan worden. De vegetatiegod, die wordt geofferd om de mensheid voedsel te verschaffen, is nog maar nauwelijks te herkennen is dit verhaal, dat pas werd opgetekend toen de Kelten in Wales al eeuwenlang officieel het christendom aanhingen.

In Ierland vormde de aardappeloogst vanaf de 18e eeuw tot halverwege de 19e eeuw het belangrijkste middel van bestaan en het Lugnasafeest speelde zich in die tijd dan ook vaak rond deze oogst af. Daarbij werd het feest meestal verplaatst van 1 augustus naar de laatste zondag in juli, die Garland Sunday (bloemslingerzondag) wordt genoemd. Op deze dag werden de eerste aardappels volgens een voorgeschreven ceremonieel uit de grond gehaald en verzameld. Wie zich hier niet aan hield, zei men, liep het risico een mislukte oogst over zich af te roepen. De nieuwe aardappels werden op het feest gegeten en pas daarna kon de rest van de aardappels gerooid worden.

Lughnasa was vanouds een feest waarbij groepen samenkwamen op een heuveltop of bij een bron of meer. Nog steeds wordt dit gedaan in Ierland, maar gewoonlijk op de eerste zondag in augustus en onder een christelijke dekmantel. MŠire MacNeill analyseert in The festival of Lughnasa (1962) waarom Lugh niet wordt genoemd in de 195 plaatsen in Ierland waar ze restanten van het Lughnasafeest kon vaststellen en komt tot de conclusie dat zijn rol volledig is overgenomen door Sint Patrick, de 5e eeuwse missionaris die de Ieren heeft gekerstend. Patrick bindt in veel verhalen rond Lughnasa de strijd aan met Crom Dubh, die duidelijk de donkere aarde en het graan vertegenwoordigt. Crom Dubh wordt vaak tot zijn nek begraven en na drie dagen door Patrick verslagen.

De gedetailleerde studie van MŠire MacNeill brengt veel thema's aan het licht die in dit feest een rol spelen. Vaak zijn er twee goden, een lichte (Lugh) en een donkere (Dubh) die strijden om de gunsten van de godin. Ook is er vaak een god die met een godin of vrouwelijke oerslang vecht. In de mythen schemert volgens MŠire MacNeill 'een botsing tussen twee religies en een strijd tussen een patriarchale en een matriarchale kultuur' door (p 412).

De bijeenkomsten voor het Lughnasa-feest hebben in onze tijd het karakter van een jaarmarkt of sportevenement gekregen, waarbij het religieuze element geheel van het toneel is verdwenen. De jaarmarkt in Tailteann (Graafschap Meath) neemt een aparte plaats in. De oude naam van dit stadje is Tailtiu, genoemd naar de pleegmoeder/geliefde van Lugh. Tijdens de jaarmarkt werden paardenrennen en zwaardgevechten gehouden, evenals een optocht met praalwagens die een begrafenisstoet voor Tailtiu vormden.

Vanuit heel Ierland en Schotland kwamen de bezoekers voor Taillteann Fair. De jaarmarkt, die waarschijnlijk tot de 18e eeuw heeft bestaan, stond vooral bekend om het feit dat hier huwelijken voor een jaar en een dag, ook wel handfasting genoemd, gesloten konden worden. MŠire MacNeill ziet hierin nog geen reden Lughnasa als bruidstijd te zien (p 424). Als regel zei men in Ierland dat wat in de oogsttijd verbonden wordt (de schoven) in de winter weer ontbonden zal worden.

Lughnasa werd niet uitsluitend op 1 augustus gevierd. Volgens Anne Ross viel het Ierse Lughnasa traditioneel in de periode tussen 15 juli en 15 augustus (Everyday life of the Pagan Celts, 1970, p 153). Andere wetenschappers sluiten zich hierbij aan.

In Schotland staan de twee weken vůůr en de twee weken na Lunasda nog steeds bekend als Iuchar. Vaak wordt dit vertaald als hondsdagen, maar met het opkomen en ondergaan van de ster Sirius heeft dit niets te maken. Volgens Ierse verhalen had Iuchar samen met zijn broers Brian en Iucharba, Cian, de vader van Lugh, gedood. Ze stenigden hem tot zijn lichaam pulp was en begroeven hem, maar de aarde weigerde zesmaal het lichaam op te nemen en pas de zevende keer bleef hij verborgen. Ook hier zien we een flauwe afspiegeling van de vegetatiegod die met de oogst wordt gedood, waarbij in de latere mythen vader en zoon elkaars rol overnemen.

In Kerry (Ierland) stonden de twee weken na Lughnasa bekend als An Lughna Dubh , het donkere feest van Lugh. MŠire MacNeill (p 16) ziet dit als een mogelijk overblijfsel uit de tijd dat de Kelten nog een maankalender gebruikten en Lughnasadh op de volle maan of nieuwe maan rond het oogstfeest vierden. Het is echter ook te verdedigen dat Lughnasa door de eeuwen heen drie dagen of een week heeft geduurd.

Augustus: Oogstmaand

Na de moord op Julius Caesar en de daarop volgende machtsstrijd ontstond binnen het Romeinse rijk een groeiende behoefte aan een sterke leider die het immense gebied kon behoeden voor verdere verdeeldheid. In 27 v.Chr. verleende de senaat aan Gajus Octavianus de titel Augustus (gewijd, heilig of verheven). Hoewel Augustus in naam de Republiek in stand hield, was hij in feite de eerste keizer en kreeg een bijna goddelijke status. Officieel werd bij de Romeinen de genius van een man pas goddelijk na zijn dood, maar ook tijdens zijn leven straalde iets van deze verhevenheid over de heerser van het Romeinse rijk. Feitelijk werd Augustus als een god vereerd. De keizers na hem namen de titel Augustus en de goddelijke status over.

Na de dood van Julius Caesar verbond de senaat, om hem posthuum te eren, zijn naam aan de maand Quintilus, die voortaan Julius (juli) heette. Augustus wist de senaat tijdens zijn regering ertoe te bewegen de volgende maand, Sextilus, naar hem te noemen en de maand een dag extra te geven, zodat Augustus even groot zou zijn als Julius (31 dagen). Aldus geschiedde. Er werd een dag van februari afgehaald en aan augustus toegevoegd.

Het Keltische oogstfeest dat in GalliŽ ter ere van de God Lugus bestond werd door de Romeinen vastgesteld op de eerste dag van de aan Keizer Augustus gewijde maand. In Lugdunum Celtarum (Lyon), de belangrijkste stad van de Romeinse provincie GalliŽ, was in 12 v.Chr. een groot altaar en een standbeeld voor Augustus opgericht. Hier kwam het concilium, het provinciaal bestuur voor heel GalliŽ, op 1 augustus bijeen om staatszaken te regelen en de goddelijke Augustus met dankoffers te eren. In de andere aan Lugus gewijde plaatsen zullen soortgelijke rituelen hebben plaatsgevonden.

Het feest voor Augustus werd in de middeleeuwen aangeduid met de Latijnse naam Gula Augusti. Gula betekent keel of slokdarm, maar ook gulzigheid en is waarschijnlijk een verwijzing naar de smulpartij die onderdeel uitmaakte van het feest. In het Oudfrans werd het feest Goule de Aust genoemd. Vanaf de 16e eeuw is Gule of August in het Engels een gebruikelijke aanduiding voor het Oogstfeest op 1 augustus. In Wales werd het feest Gwyl Awst (spreek de w als oe uit) genoemd, een variant op de Engelse naam.

In de door Karel de Grote ingevoerde kalender werd de achtste maand Aranmanoth, d.w.z. Oogstmaand, genoemd. In het rusticus, het volkslatijn dat door de Romeinse soldaten gesproken werd en dat de basis vormde voor de latere Romaanse talen, werd de maand aangeduid als agustus. De Oudhoogduitse benaming Aranm‚nŰth werd in de twaalfde eeuw verdrongen door Agusto, een variant van de Latijnse vorm. In het Middelnederlands bestond nog de naam Arenmaent, maar al snel werd de maand alleen nog maar auguste genoemd. Hiervan werd het Middelnederlandse oeghest, ook wel oghest of oochst, afgeleid, wat later tot oogst werd. In de middeleeuwen werd juli vaak eerste oogstmaand genoemd, augustus tweede oogstmaand en september laatste oogstmaand.

Lammas

Alfred de Grote, van 871 tot 899 koning van het Angelsaksische rijk, gaf de aanzet tot het bijhouden van de Anglo-Saxon Chronicles. Hierin was voor het eerst sprake van HlŠfmaesse, letterlijk "Broodmis". Dit was de gekerstende versie van het heidense oogstfeest, waarbij broden, gebakken van het eerste graan, in de kerk werden gebracht voor een hlŠf-sťnung, een brood-zegening. De eerste augustus stond algemeen bekend als HlŠfmaesse-daeg.

Het woord mis wordt gewoonlijk afgeleid van het Latijnse werkwoord mittere (wegsturen), op grond van de woorden "Ite, missa est" (Ga heen, de bijeenkomst is opgeheven) die tijdens de mis gesproken worden. Waarschijnlijker is echter een afleiding van het Latijnse messis, waarmee het oogsten en de oogst werden aangeduid.

Het Romaanse messa, het Angelsaksische maesse, het Middelhoogduitse en Middelnederlandse messe en vele vergelijkbare vormen in de andere Germaanse talen betekenden zowel mis als feestdag. Hetzelfde geldt voor het moderne Engelse Mass en het Duitse Messe, dat ook jaarmarkt betekent. Ons woord kermis is afgeleid van het Middelhoogduitse Kirchmesse en het Middelnederduitse kerkmisse. Het jaarfeest, de jaarmarkt en de kerkelijke mis gingen vloeiend in elkaar over.

Net als de mis een gekerstende heidense eredienst is, is het woord mis ontleend aan het oudere heidense Oogstfeest. Later is het woord, met name in de Engelse uitgang -mas, ook de andere jaarfeesten gaan aanduiden. Denk aan Christmas, Candlemas, Martinmas, Michaelmas, Allhallowmas, etc. In het Nederlands is het woord kerstmis op deze manier tot stand gekomen.

In de twaalfde eeuw werd het Angelsaksische HlŠfmaesse samengetrokken tot Lammasse. In de 17e eeuw werd de gangbare vorm Lammas en als zodanig bestaat het woord nog steeds in het Engels. Kennelijk werd het feest zo algemeen gevierd dat Shakespeare aannam dat het feest ook in ItaliŽ gebruikelijk was. Hij laat de min van Juliet tenminste over het meisje zeggen: "Come Lammas-eve at night shall she be fourteen." (Romeo and Juliet I, iii, 18).

Het is niet meer te achterhalen of het Angelsaksische feest voortborduurde op Keltische gebruiken, zoals we die voor het Ierse Lughnasa beschreven hebben, of dat de nog heidense Angelen en Saksen tijdens hun overtocht uit Noord-Duitsland Germaanse gebruiken hebben meegenomen en ingevoerd. Aangezien alle Indo-Europese stammen het Oogstfeest vierden, zal Lammas een mengeling van Keltische, Germaanse en christelijke bronnen zijn.

De heidense oogstgebruiken legden de nadruk op het begin en het eind van de oogst. Als het graan rijp genoeg was, werd halverwege de maand juli begonnen met de oogst. Medio augustus werd de oogst afgesloten met een groot oogstfeest. De kerkelijke Lammasviering viel halverwege de verschillende heidense feesten en legde de nadruk op het brood als gave Gods. De heidense gebruiken rond het afsnijden of binnenhalen van de laatste oogst werden van kerkelijke zijde zoveel mogelijk onderdrukt. Op 1 augustus diende Lammas gevierd te worden en niet als de oogst werd beŽindigd. Het feest van Maria Hemelvaart, op 15 augustus (zie onder), is een poging de afronding van het Oogstfeest in kerkelijke banen te leiden.

Sint Jacob (25 juli)

Op veel plaatsen in Europa, waaronder Nederland, vond het Oogstfeest plaats op 25 juli, de naamdag van de apostel Jacobus de Meerdere. Volgens de bijbel (Handelingen van de apostelen 21.2) liet Herodes Agrippa hem onthoofden.

In de 9e eeuw ontwikkelde zich een belangrijke cultus in Spanje, waar zijn gebeente zou zijn gevonden en op 25 juli 816 in een nieuw gebouwde kerk werd bijgezet. De plaats, Santiago de Compostella (Sant Iago = Sint Jacobus), werd, ondanks de twijfel over de echtheid van de relikwieŽn, al snel een belangrijk bedevaartsoort. Tijdens veldtochten tegen de Moren, die destijds het grootste deel van Spanje in bezit hadden, verscheen Jacobus herhaaldelijk op een wit paard en leidde de christenen naar de overwinning. Hij is de beschermheilige van Spanje en Portugal. Zijn feestdag op 25 juli trekt jaarlijks nog vele tienduizenden bezoekers. Het boek The roads to Santiago de Compostela (2007) beschrijft wat nog steeds de belangrijkste pelgrimsroute is.

Vanaf de middeleeuwen werd Jacobus gewoonlijk als een pelgrim afgebeeld. De foto linksonder toont een Memorietafel, gemaakt in Utrecht tussen 1460 en 1480. Op een memorietafel liet een belangrijke geestelijke zich afbeelden onder de Maagd Maria en tussen twee beschermheiligen. Na zijn dood stimuleerde de memorietafel het bidden voor het zieleheil van de overledene. De opdrachtgever, een onbekende kanunnik, knielt onder een afbeelding van de Maagd Maria met het kindje Jezus aan de borst. Tegenover de kanunnik de heilige Hieronymus. Achter hem staat Jacobus met zijn pelgrimsattributen: een schoudertas, een staf en een hoed met de jacobsschelp.

Door de eeuwen heen heeft Jacobus dezelfde attributen gehouden. In 1940 maakte Charles Vos een houtplastiek van de heilige die in de St. Jacobskapel van de kathedraal in Roermond te zien in. In zijn linkerhand houdt Jacobus zijn staf; in de rechter de jacobsschelp.

Oorspronkelijk werd Jacobus samen met zijn broeder, Johannes de Evangelist, herdacht op 27 december. De Byzantijnse kerk verplaatste zijn feestdag naar 30 april en daar is nooit van afgeweken. In Spanje werd vanaf de 9e eeuw 25 juli gevierd, de dag dat de relikwieŽn van de heilige werden bijgezet in de kerk van Santiago de Compostella. Door paus Urbanus VIII (1623-44) werd Sint Jacobus op 25 juli officieel toegevoegd aan de roomskatholieke kalender, waarin deze datum nog steeds als feestdag is opgenomen.

In de loop van de middeleeuwen ontwikkelde Jacobus zich tot schutspatroon van akkerbouwers en werd de graanoogst, met name de roggeoogst, op het Europese vasteland zoveel mogelijk op zijn naamdag binnengehaald. Er werd gezegd dat Jezus met zijn apostelen een keer door een korenveld liep en dat de apostelen toen wat aren plukten. Ze werden door een gerechtsdienaar betrapt en alle apostelen moesten voor straf hun hoed afgeven, behalve Jacobus, die beloofde het koren te zullen beschermen.

Dit is een christelijke verklaring waarom Jacobus met een breedgerande hoed wordt afgebeeld en als patroon van het koren optreedt. Een andere verklaring is dat hij in de voetsporen van Wodan is getreden, die ook met een grote hoed werd voorgesteld en die ook beschermheer van het graan was. Dit verklaart tevens waarom Jacobus, net als Wodan, zo vaak met een wit paard en een lange staf werd afgebeeld. Wodan werd, net als Lugus, door de Romeinen met Mercurius gelijkgesteld. Het feest voor Sint Jacob lijkt een gekerstende versie van het Germaanse en Keltische Oogstfeest te zijn.

Voordat men op Sint Jacob, ook wel Sint Japik genoemd, begon met de roggeoogst, werd vaak eerst een omgang rond de akker gehouden. In Dwingelo (Drenthe) vertelden de boeren rond 1930 aan Van der Ven, zoals hij meldt in Als de oogst wordt ingehaald, dat ze dit deden 'om te keuren of de korrel wel rijp was'. Alsof ze dat niet allang wisten. Ook op andere plaatsen zijn dergelijke Sint-Jacobsomgangen door de eeuwen heen gehouden. Tijdens het oogsten gingen de vrouwen in de Achterhoek gekleed in de Sunt Joapiksdracht, die een geheel witte kleding voorschreef.

Sint Jacob is meestal het begin van de oogst. In Duitsland en Oostenrijk sprak men van Jakobustag im Schnitt of van Jakobustag in der Ernte. Vaak mocht het graan niet eerder worden gemaaid, al was het eerder rijp. Ook voor de aardappeloogst golden vaak dergelijke gebruiken. Er mochten geen aardappels worden gerooid voordat Sint Jacob was aangebroken, al was de oude voorraad al eerder op. In Duitsland werden de nieuwe aardappels Jakobi-Erdšpfel genoemd. Wie zelf geen aardappels verbouwde, kocht pas nieuwe aardappels als Sint Jacob was aangebroken.

Niet alleen voor de graan- en aardappeloogst was Jacobus belangrijk. Ook de levenskracht van de gewassen die nog op de akker stonden te rijpen, werd in zijn naam opgewekt. In de Achterhoek ging de boerin met Sint Jacob naar het koolveld en sloeg elke kool met een stok terwijl ze daarbij riep: "Jacob, Dikkop!" Ook in grote delen van Duitsland bestonden dergelijke gebruiken. In Waldeck (deelstaat Hessen) plukte men op Sint Jacob, tussen 11 en 12 uur, van elke kool een blad en zei daarbij: "Jakob, Dickkop, werd' so dick wie mein Kop!" Ook de vruchtbomen vielen onder de bescherming van Jacobus. In Duitsland werden de eerste rijpe appelen van het jaar Jakobišpfel genoemd, zelfs als ze pas lang na Sint Jacob geplukt werden. Op veel plaatsen werden de vruchtbomen op Sint Jacob uit naam van de heilige gezegend.

Sint Jacob werd gerekend tot de bronnen- en waterheiligen. Vele bronnen en beken waren aan hem gewijd en op zijn naamdag was het water uit deze bronnen bijzonder geneeskrachtig. De doopnaam Jacobus was in de middeleeuwen zeer populair omdat Jacobus zelf geacht werd het doopwater te heiligen. Aan de dauw op Sint Jacob werd vaak veel kracht toegeschreven. In SileziŽ en Bohemen geloofde men dat de Jakobitau ervoor zorgde dat de koeien die dag uitzonderlijk veel melk gaven.

Niet alleen voor landbouwers was Sint Jacob een belangrijke dag. Jacobus was ook de beschermheilige van de herders en veehouders, die op die dag het vee met bloemen versierden en een groot feest vierden, waarbij wedstrijden georganiseerd werden en veel gedanst werd met herderinnen en melkmeisjes. Dit werd Jakobsen of Joggesen genoemd.

Sint Jacob was, zoals alle jaarfeesten, een goed moment om te divineren over belangrijke vragen. Als het water in de bron op Sint Jacob hoog stond, was dat een teken dat de oogst dat jaar voorspoedig zou zijn. Een lage waterstand was een slecht voorteken. Het weer op Sint Jacob was een voorteken van voor- of tegenspoed in de daarop volgende weken of maanden.

Sint-Petrus Kettingfeest (1 augustus)

Op 1 augustus herdacht de kerk dat Petrus zijn ketenen had verbroken en uit de gevangenis was ontsnapt. Dit feest, in het Latijn Ad Vincula Petri geheten is nooit populair geworden. In het Angelsaksische Engeland was Lammas, de zegen voor het brood, altijd belangrijker dan het feest voor Petrus. In Duitsland geldt Petri Kettenfeier als een ongeluksdag waarop je heel voorzichtig moet zijn als je niets wilt breken.

Maria Hemelvaart (15 augustus)

Vanaf de 5e eeuw heeft zich in de kerk een manier ontwikkeld om te herdenken dat de Heilige Maagd haar aardse bestaan had beŽindigd. De Oosterse Kerk sprak van Dormitio (inslapen). In Rome werd de naam Assumptio (tenhemelopneming) gebruikt, om onderscheid te maken met de Ascentio (hemelvaart) van Christus. Het gewone volk sprak door de eeuwen heen van Maria Hemelvaart.

In 1950 is door paus Pius XII het dogma aangenomen dat 'de onbevlekte, altijd maagdelijke Moeder Gods na de voleindiging van haar aardse levensloop met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid is opgenomen.' Hiermee werd bevestigd wat al in de vroege middeleeuwen werd geloofd, namelijk dat het lichaam van Maria niet op aarde was achtergebleven. Nooit zijn delen van haar lichaam als relikwieŽn vereerd, wel de lijkdoeken die ze achterliet.

Op een altaarstuk dat rond 1410 is gemaakt in het Middelrijngebied of Westfalen zijn de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Maria weergegeven. Op de foto linksboven is de Heilge Maagd op haar sterfbed afgebeeld, omringd door heiligen en evangelisten.

Deze droevige gebeurtenis werd zelden gememoreerd. Meestal legde men de nadruk op haar tenhemelopneming. Tussen 1622 en 1625 schilderde Peter Paul Rubens dit onderwerp. Zie de foto's hieronder. Op de grond buigen heiligen en apostelen zich verbaasd over de lege graftombe, terwijl de Heilige Maagd door engelen en cupido's wordt meegenomen naar de hemel. Twee van de engelen kronen haar met een lauwerkrans en een bloemenkrans. Het schilderij in het Mauritshuis in Den Haag is een voorstudie voor de afbeelding in het hoogaltaar van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, die Rubens in 1627 voltooide.

Aanvankelijk was er onduidelijkheid over de datum van het feest van Maria Tenhemelopneming, dat soms in januari, soms in de zomer plaatsvond. Tenslotte rept de bijbel met geen woord over de dood van de Heilige Maagd. De Byzantijnse keizer Mauritius (582-602) bepaalde dat het feest op 15 augustus gevierd diende te worden. Nog steeds wordt zowel in de Oosterse als in de Westerse Kerk deze datum aangehouden.

Over de vraag of hiermee een heidens feest werd gekerstend, en zo ja welk feest, zijn de geleerden het niet eens. Verschillende feesten voor de Godinnen Ceres, Ops en Diana worden hiervoor genoemd. Duidelijk is wel dat Maria Hemelvaart in de vroege middeleeuwen veel gebruiken rond de Germaanse en Keltische oogstfeesten naar zich toe heeft getrokken. In Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen) stond Maria Hemelvaart in de middeleeuwen bekend als Half-oest (half oogst). Gebruiken rond de laatste schoof en de daarmee verbonden demonen waren uit den boze, maar konden niet verboden worden. In plaats daarvan probeerden de geestelijken de boeren bij te brengen dat het de Heilige Maagd was die het graan liet groeien en dat het daarom passend was aan haar rond deze tijd eer te bewijzen. Maria werd vaak afgebeeld met korenaren in de hand of gehuld in een arenkleed. De laatste schoof werd op veel plaatsen naar de kerk gebracht en daar met wijwater besprenkeld. Het gebruik op Maria Hemelvaart iets van de oogst als dankoffer op het Maria-altaar te leggen was zo algemeen dat na de reformatie ook vele protestanten, met name in Oberfranken (Beieren), dit bleven doen.

In vele landen, waaronder Nederland, BelgiŽ, Duitsland en Zwitserland, was het gebruikelijk op Maria Hemelvaart kruiden en bloemen te verzamelen en in de kerk te laten wijden. Al in de 9e eeuw is dit in de liturgie opgenomen om heidense gebruiken rond magische kruiden in kerkelijke banen te leiden. In Duitsland heette de dag daarom ook wel Unser Frauen WŁrzweih, Kršuterweihe of Marien Kruydtwyhung, terwijl men in Nederland sprak van Onze Lieve Vrouwe Kruydtwijn of Maria Kruidwis.

Gewoonlijk maakte men een ruiker van kruiden, waarin de belangrijkste magische kruiden, zoals bijvoet, duizendblad, roomse kervel en boerenwormkruid, voorkwamen. In Limburg werd dit een kruidwis of kroedwisch genoemd. In Duitsland werd de ruiker een WŁrzwisch, Krautbusch of Kršuter-bŁschel genoemd. Op plaatsen waar het negenderlei kruid een rol speelde in de volksgebruiken werden deze negen kruiden ook op deze dag in de ruiker opgenomen en gewijd. De ruikers werden na de wijding meegenomen en in huis of stallen opgehangen. De kruiden zouden vooral het huis tegen onweer beschermen. Ze werden dan ook donderplanten genoemd.

Vaak werd ook een ruiker gemaakt van oogstkruiden. Hieronder verstond men halmen van verschillende graansoorten en takjes van vruchtbomen. De graankorrels van de oogstkruiden werden vaak in het voorjaar door het zaaizaad gemengd om de kracht van de oude vegetatie op de nieuwe over te brengen. In delen van Duitsland en in Limburg bestaat de kruidenwijding op Maria Hemelvaart nog steeds. Elders is dit in onbruik geraakt of afgeschaft tijdens de reformatie.

Maria Hemelvaart toont hoeveel inspanning de kerk zich getroostte om de heidense oogstgebruiken een kerkelijke wending te geven. De Heilige Maagd werd naar voren geschoven als beschermvrouwe van het graan, geneeskrachtige en magische kruiden, vruchtbomen en al wat in deze tijd werd geteeld en geoogst. Maria Hemelvaart werd in Duitsland ook wel Frauentag im Schnitt (O.L.V.maaidag) of Frauentag in der Ernte (O.L.V. in de oogst) genoemd.

Omgangen rond de akkers, om de kracht van de akker op te wekken, werden op veel plaatsen gekerstend door processies rond de akkers op Maria Hemelvaart. Heidense bronverering werd gekerstend in het bezoeken en versieren van bronnen op deze dag.

Niet alleen de graanoogst, maar ook alle andere oogsten in de maand na Maria Hemelvaart werden op vernuftige wijze binnen de invloedssfeer van de Heilige Maagd getrokken. In de 7e eeuw werd in de westerse kerk op 8 september het feest van Maria-Geboorte aan de kalender toegevoegd, hoewel de bijbel met geen woord over de geboorte van de Heilige Maagd rept. Maria-Geboorte werd Kleine Lieve Vrouwedag genoemd, ter onderscheiding van de Grote Lieve Vrouwedag op Maria Hemelvaart. De periode tussen beide Vrouwedagen werd geheel aan de Heilige Maagd gewijd.

In 1245 stelde paus Innocentius IV in dat deze dag als octaaf gevierd diende te worden. Dit hield in dat de acht dagen van 8-15 september als feest voor Maria-Geboorte golden. Hierna werden de 30 dagen tussen 15 augustus en 15 september (begin en einddag niet meegeteld) aan Maria gewijd. In Duitsland werd dit Frauendreissiger genoemd. Dit werd voorgesteld als een gelukkige tijd, waarin de bescherming van de Heilige Maagd overvloed en voorspoed brengt. Zelfs giftige dieren, waaronder men padden rekende, zijn in die tijd onschadelijk. Al wat je hoeft te doen, is een pad levend aan de schuurdeur spijkeren en de Heilige Maagd doet de rest. Daar ging men tenminste tot het begin van de 20e eeuw vanuit.

Een Oogstfeest voor deze tijd

Je hoeft geen landbouwer te zijn om een Oogstfeest te vieren. De zomerse overdaad aan granen, vruchten en andere gewassen is geen vanzelfsprekendheid, maar een sacraal onderdeel van de kringloop van het jaar. In een oogstritueel kun je je dank voor die overvloed uitdrukken. Als je met Imbolc graan hebt gezaaid, kun je dat gebruiken in je ritueel, zoals wij dat hebben gedaan. Je kunt in je ritueel tot uitdrukking brengen dat aan het oogsten altijd een offer voorafgaat.

Je kunt de oogst ook op jezelf betrekken en in het ritueel tot uitdrukking brengen wat je ervoor over hebt om iets te bereiken. Stel dat je net een opleiding aan de kunstacademie hebt voltooid en graag als beeldhouwer aan de slag wilt. Je kunt dan een door jou gemaakt beeldje in de Cirkel zetten en hier driemaal overheen springen terwijl je een wens of magische spreuk uitspreekt. Het werken als beeldhouwer is de oogst die, naar je hoopt, op het voltooien van de opleiding zal volgen. De handelingen die je verricht tijdens het ritueel, activeren de kracht die je tijdens je opleiding hebt opgebouwd, een kracht die je bij het werken als beeldhouwer kunt gebruiken. Het gaat bij het Oogstfeest niet om het beginnen aan iets nieuws, maar om het plukken van de vruchten van iets dat je al eerder begonnen bent. Als je na het voltooien van de kunstacademie toch maar besluit rechten te gaan studeren, kan het oogstritueel je daarbij niet van nut zijn.

Als je het ritueel met anderen doet, kun je als groep je dank voor de vruchten van de natuur tot uitdrukking brengen. Je kunt ook bepaalde handelingen verrichten om iets dat je gezamenlijk hebt opgebouwd, bijvoorbeeld tijdens eerdere rituelen of samenkomsten, extra kracht te geven, zodat de groep hiermee verder kan. De structuur van het Oogstfeest is flexibel genoeg om elke denkbare doelstelling in voorwerpen of handelingen uit te drukken.

Stel dat je als groep met Imbolc had besloten iets te doen voor een zieltogende eikenboom in een naburig bos. Met het Lentefeest, Meiavond en Midzomer heeft de groep rond de boom gedanst om hem kracht te sturen. Met het Oogstfeest kun je dan tot uitdrukking brengen hoeveel je ervoor over hebt om de boom weer gezond te maken. Iedereen pakt tijdens het ritueel, dat bij de boom wordt gehouden een eikel, slingert deze zo ver mogelijk weg en zegt, bijvoorbeeld: 'De zwakte naar de verte, de kracht naar de eik!' Hierna legt deze persoon zijn of haar handen op de eik, waarna de volgende de tekst zegt en hetzelfde doet. Tenslotte heeft ieder zijn of haar handen op de eik. Als hiermee de levenskracht van de eik wordt geactiveerd, is het doel dat de groep zich met Imbolc had gesteld bereikt. Op deze manier is voor elke groepsdoelstelling een rituele handeling te bedenken.

Zelf maken van graanpoppetjes

De meeste graanpoppetjes (corn dollies) zijn vrij ingewikkeld van vorm en constructie. Het hieronder beschreven poppetje is eenvoudig zelf te maken. Je hebt hiervoor nodig: een aantal graanhalmen, stevig bindgaren, naald, rood en wit lint en een schaar. Week de halmen van tevoren een uur in lauw water om ze soepel te maken.

Leg zo'n 20 halmen naast elkaar. Ze vormen, met de aren naar beneden gekeerd, het lijfje van de pop. Bind ongeveer 25 cm van de onderkant de halmen met het draad stevig bij elkaar. Knak de halmen 4 cm hier vandaan om en bind de draad ook hier omheen.

Neem een ander stuk draad en bind hiermee het middeltje van de pop bij elkaar (zie figuur 1 op bijgaande afbeelding).

Knip nu 20 halmen op 18 cm lengte af. Verdeel deze in twee bundeltjes. Leg de halmen in elke bundel om en om, zodat de aren naar beide kanten wijzen. Bind de bundeltjes in het midden bij elkaar (zie figuur 2).

Leg een van de bundeltjes achter het lijfje en bind alles stevig kruiselings op elkaar (figuur 3).

Voor een graanvrouwtje maak je een bosje haar door de aren van het andere bundeltje om te knakken (figuur 4) en op het hoofdje vast te naaien. Voor een mannetje maak je drie kleine bosjes van elk vier aren. Twee van deze bosjes bind je onderaan de aren, zodat de pop een broek en voeten krijgt (figuur 5). Het laatste bosje bind je boven op het hoofd (figuur 6).

Bind een rood lint kruiselings om het vrouwtje (figuur 7) en een korter wit lint kruiselings om het mannetje. Laat alles goed drogen. Je kunt de poppetjes tijdens het ritueel maken of van tevoren. Desgewenst kun je ook gras nemen in plaats van graan.

Oogstkrans voor op het hoofd

Voor het Oogstfeest kun je een krans maken voor op het hoofd. Neem hiervoor een basiskrans zoals beschreven in het stuk over Beltane en zet er met wikkeldraad graan, boerenwormkruid en andere bloemen van het moment op vast.

Oogstbrood

Als onderdeel van het Oogstfeest werd soms van het graan van de laatste garve een brood gebakken in de vorm van een man. In het Departement Allier (Frankrijk) liet men de laatste halmen op de akker staan, plantte er een den als oogstmei bij en hing hierin een brood in de vorm van een man. Waar de graangeest als vrouwelijk werd voorgesteld, nam men een vrouw of meisje als broodvorm. Aangezien in ons ritueel de priester de Graangod vertegenwoordigt, hebben we een mannelijke vorm gekozen. Je hebt voor een oogstbrood nodig:

- 250 gr volkorenmeel
- 1 1/4 dl melk
- zakje gist of 30 gr verse gist
- 50 gram boter
- 1 eetlepel zout
- 500 gram fijngesneden tutti frutti
- eventueel 1 ei

Laat de tutti frutti enige uren weken in lauw water. Maak een gistdeeg en laat dit rijzen (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad). Meng de tutti frutti erdoor en kneed weer goed door. Vorm nu een rond brood en leg het op de bakplaat. Vorm een hoofdje en snij het brood in. Bestrijk het brood eventueel met een losgeklopt ei en laat het deeg weer rijzen. Bak het brood op 180 graden C in 30 minuten. Handel verder als in de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad is aangegeven.

Lavendelkoekjes

De lavendelbloemen voor deze koekjes kunnen vers of gedroogd worden gebruikt. Als de bloemen van de eerste bloei zijn afgeknipt, bloeit lavendel rond deze tijd meestal voor de tweede keer. Voor de koekjes heb je nodig:

- 125 gram boter
- 100 gram suiker
- 1 ei
- 1 eetlepel lavendelbloemen
- 150 gram bakmeel

Roer de boter met het ei en de suiker tot een romig mengsel. Voeg de lavendelbloemen en het bakmeel toe. Schep met een dessertlepel kleine platte bergjes op een beboterde bakplaat. Bak ze in een oven van 170 graden C 15 ŗ 20 minuten. Haal ze van het bakblik en laat ze afkoelen op een rooster.

Vruchtensalade

Maak een salade van allerlei soorten vruchten van het seizoen, zoals frambozen, rode bessen, meloen, aardbeien, bramen, appel, perziken, kersen en pruimen. Ontpit alles en snij in gelijke stukjes. Overgiet met wat vlierbloesemsiroop (zie de pagina over Midzomer) en serveer koud.

Courgettetaart

Dit is een gemakkelijk te maken hartige taart, waarvoor je niet apart een bodem van deeg hoeft te maken. Je hebt nodig:

- 350 gram courgettes
- 1 ui
- 2 teentjes knoflook
- verse of gedroogde tijm, rozemarijn en marjoraan naar smaak
- 5 eieren
- scheutje melk
- peper en zout
- 100 gram geraspte kaas
- 3 eetlepels olijfolie
- bakpapier
- ronde bakvorm 25 cm

Rasp de courgettes op een grove rasp. Snij de ui fijn en hak de teentjes knoflook fijn. Maak de olie heet en fruit hierin de ui en de knoflook. Doe dan de courgettes samen met de kruiden erbij. Roer alles om een laat dit met een deksel op de pan 5 minuten op een laag pitje staan. Klop de eieren los met zout, peper en een beetje melk. Beboter de bakvorm en doe er het bakpapier in. Roer het enigszins afgekoelde eimengsel door het groen¨tenmengsel en roer de kaas erdoor. Schep alles in de vorm en bak in een oven van 175 gradenC in ongeveer 35 minuten gaar.

Mede

Om een droge mede te maken die je tijdens het ritueel kunt drinken heb je nodig:

- 4 potten honing van 450 gram
- 1 theelepel tannine
- 1 theelepel citroenzuur
- 1 theelepel wijsteenzuur
- 1 theelepel pecto-enzym
- 1 theelepel gistvoedingszout
- giststarter

Handel verder zoals beschreven in het recept voor Joel-mede (zie de pagina over Midwinter), echter zonder toevoegen van sinaasappels, citroenen en een extra pot honing.

Perzik-/pruimen-/abrikozenwijn

Om een van deze wijnen te maken heb je nodig:

- 2 1/2 liter water
- 2 kg perziken, pruimen of abrikozen
- 1 kg suiker
- 1 theelepel looizuur
- 1 theelepel citroenzuur
- 2 theelepels pecto-enzym
- 1 theelepel gistvoedingszout
- sulfiet
- giststarter

Maak 2 dagen van tevoren een giststarter, zoals beschreven in de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad. Ontpit de vruchten en knijp er pulp van. Doe alles in een schone emmer of grote pan. Kook 2 1/2 liter water en giet dit over de pulp. Voeg de helft van de suiker erbij. Als alles afgekoeld is doe je het looizuur, citroenzuur, pecto-enzym en de giststarter erbij.

Laat dit 2 dagen gisten. Doe dan de rest van de suiker erbij en laat het nog een dag gisten. Dek goed af en roer de massa driemaal daags. Zeef alles op de vierde dag. Maak een 5-literfles schoon met heet water en een sulfietoplossing. Doe het sap in de gistingsfles. Doe het waterslot erop en handel verder als in de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad.

Witbier

In plaats van wijn kun je witbier drinken tijdens het ritueel. Op de symboliek van de witte tarwe zijn we al uitgebreid ingegaan. De heidense Germanen, ScandinaviŽrs en Kelten dronken vaak bier als onderdeel van het ritueel of Oogstfeest.

Sangria

Sangria kun je opdienen tijdens het feest na afloop van het ritueel. Je hebt nodig:

- 3/4 liter vlierbes/druivenwijn of een andere zelfgemaakte vruchtenwijn (zie de pagina over het Herfstfeest) of een (gekochte) rode wijn
- 3 eetlepels honing
- 2 dl rode druivensap
- 1 limoen
- 1 citroen
- 2 sinaasappels
- 1 appel
- 1 perzik
- 250 gram aardbeien
- ijsblokjes

Boen de citrusvruchten schoon. Snij ze in schijfjes. Snij de appel en de perzik in kleine stukjes. Doe alles, ook de aardbeien, in een schaal of kan. Los de honing in de druivensap op en doe dit samen met de wijn bij de vruchten. Doe er vlak voor het serveren ijsblokjes bij.

Vruchtensiroop

Voor deze siroop kun je allerlei vruchten gebruiken, bijvoorbeeld vlierbessen, bramen, rode bessen, frambozen, zwarte bessen, of een mengsel van deze vruchten. Je hebt nodig:

- 1/2 liter vruchtensap
- 750 gram suiker
- 1 uitgeperste citroen
- 1 literfles met schroefdop

Reinig de fles met heet sodawater en spoel na met schoon water. Was de vruchten en pers ze uit in een doek of sapcentrifuge. Breng het sap aan de kook en los de suiker hierin op. Doe de nog hete vloeistof in de fles en draai de dop erop. Naar smaak met bronwater en ijs serveren.

Lammaswierook

Voeg aan 1/2 eetlepel basiswierook (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad) 1/2 theelepel lavendel, rozemarijn en goudsbloem toe. Je kunt ook een van de andere in deze pagina gegeven recepten gebruiken.

Versiering van de ruimte

Het altaar kan versierd worden met graanhalmen. Door het jaargetijde en de aard van het ritueel leent het Oogstfeest zich ervoor om in de natuur gehouden te worden. Met graan kan een Cirkel worden uitgelegd. Bloemen en vruchten van het moment kunnen worden neergezet of neergelegd. Als je een kruidwis hebt gemaakt kan deze op het altaar gelegd worden.

Voorbereiding voor het ritueel

In het Noorden staat een altaar. Hierop bevinden zich twee waxinelichtjes, voor de Godin en de God, een steen, uit twee delen bestaand, een staf, wierookvat en een kom water.

Naast het altaar liggen: een bos korenaren, een schaaltje, een krans, gevlochten van wilg of andere buigbare tak en raffia of draad. Er is wijn en een brood. Het brood is nog toegedekt. Voor het altaar ligt een berkentak. Er wordt afgesproken wie de windrichtingen Oost, Zuid en West zal vertegenwoordigen. PS zelf vertegenwoordigt het Noorden.

Het ritueel

PS en P zijn de priesteres en priester die het ritueel leiden. PS steekt de twee lichtjes en de wierook aan. De Cirkel wordt getrokken volgens het basisritueel. Op deze pagina staat een variant voor buitenrituelen. In het ritueel wordt een gebroken steen gebruikt. Deze steen wordt als symbool voor het element aarde door PS op het altaar gelegd. PS zegt als de Cirkel is getrokken:

Vandaag vieren we het Oogstfeest, het feest van de God die ons verlaat en toch altijd bij ons is; de God die sterft en toch onsterfelijk is. De zomer is op haar hoogtepunt, het graan is rijp om geoogst te worden.

Ze loopt naar het altaar en pakt de korenaren. Terwijl ze deosil de Cirkel rond¨loopt geeft ze iedereen een aar, behalve P. Dan stapt P uit de kring naar het midden toe. Terwijl hij rondloopt zegt hij:

De aarde geeft, de aarde neemt. Wie zal mij het leven schenken?

PS plukt een graankorrel uit haar korenaar, loopt op hem toe en zegt:

De aarde neemt, de aarde geeft. In dit graan is het leven besloten.

Ze geeft de graankorrel aan P. Hij zegt:

Wie geeft mij lucht om te ademen?

De persoon die het Oosten vertegenwoordigt, tilt het wierookvat op en zegt:

Ik geef lucht om te ademen.

Hij loopt met het vat deosil de Cirkel rond en zet het vat in het Oosten weer neer. P zegt:

Wie geeft mij warmte om te groeien?

De persoon die het Zuiden vertegenwoordigt, tilt de staf op en zegt:

Ik geef warmte om te groeien.

Hij loopt met de staf deosil de Cirkel rond en legt de staf in het Zuiden weer neer. P zegt:

Wie geeft mij water om te ontkiemen?

De persoon die het Westen vertegenwoordigt, tilt de kom water op en zegt:

Ik geef water om te ontkiemen.

Hij loopt met de kom deosil de Cirkel rond en zet hem in het Zuiden weer neer. P zegt:

Wie geeft mij aarde om vrucht te dragen?

PS loopt op hem toe en omhelst hem. Alle aanwezigen lopen naar P toe en leggen hun korenaar in zijn uitgestoken handen. Als hij alle aren heeft ontvangen, heft P zijn handen boven zijn hoofd en houdt zo de aren boven zich. Als PS zich uit de omhelzing losmaakt, heeft ze een mes of sikkel in haar hand. Ze snijdt de halmen van de aren die P boven zijn hoofd houdt door. P laat zich voor dood op de grond vallen. De persoon die het Oosten vertegenwoordigt pakt het wierookvat en loopt ermee om P heen terwijl hij zegt:

Ik geef lucht om te ademen.

P beweegt zich niet. PS zegt:

Hij is dood. Lucht kan hem niet meer baten.

De persoon die het Zuiden vertegenwoordigt, pakt de staf en zegt:

Ik geef warmte om te groeien.

Hij loopt om P heen, die zich niet beweegt. PS zegt:

Hij is dood. Warmte kan hem niet meer baten.

De persoon die het Westen vertegenwoordigt, pakt de kom en zegt:

Ik geef water om te ontkiemen.

Hij loopt om P heen, die zich niet beweegt. PS zegt:

Hij is dood. Water kan hem niet meer baten.

Ze loopt naar het altaar en pakt de steen. Dan loopt ze terug naar P, raapt een van de korenaren op en plukt er graankorrels uit. Ze doet de twee helften van de steen van elkaar en stopt de graankorrels ertussen. Terwijl ze de korrels tussen de twee helften van de steen vermaalt, zegt ze:

Moge dit graan van gisteren het voedsel van morgen worden.

P komt overeind. PS zet een chant in, waaraan iedereen meedoet tijdens een rondedans (alle regels 2x):

The earth is our Mother, we must take care of her
Hey yunga, ho yunga, hey yung yung

Her sacred ground we walk upon with every step we take
Hey yunga, ho yunga, hey yung yung

The earth is our mother, she will take care of us
Hey yung, ho yunga, hey yung yung

Na de chant gaat iedereen zitten. PS verzamelt de afgesneden korenaren op het schaaltje, pakt de krans van de wilgentak en de raffia en zegt:

Deze krans is een Cirkel, een heilig symbool voor de ruimte tussen de werelden. De krans is gemaakt van een heilige aan de Godin gewijde boom, de wilg. Deze korenaren hebben we in het ritueel afgesneden. Door de aren op de krans te binden, voegen we de kracht die we daarmee hebben opgewekt aan de krans toe. De krans laten we hier achter, als teken van ons samenzijn in dit ritueel. Ieder van ons bindt ťťn aar op de krans.

Ze bindt een aar aan de krans en geeft deze door. Als iedereen dit heeft heeft gedaan zegt PS:

Ga ontspannen en gemakkelijk zitten. Sluit je ogen en haal een paar keer diep adem. Vul je longen en je buik met lucht. Hou je adem een paar seconden vast en laat hem dan rustig ontsnappen. Ontspan je bij het uitademen.

Je loopt op een pad tussen twee gemaaide korenvelden door. Hier en daar liggen links nog wat tarwehalmen, rechts wat haver. Je kunt zien dat er net geoogst is, waarschijnlijk diezelfde dag nog. Midden op het veld staat, links zowel als rechts nog een klein bosje graan.

De velden liggen tegen een heuvel aan en daarachter strekt zich een bos uit met eiken en berken die hoog boven je uit torenen als je ze bereikt hebt. De zon is bijna onder en een moment vraag je je af of het niet te donker is om het bos in te gaan. Je bent hier in deze streken nooit eerder geweest en je kunt gemakkelijk verdwalen. Je besluit nog even door te lopen tot de top van de heuvel en dan terug te gaan. Het pad is hier steil en mul en je hebt alle aandacht nodig bij het klimmen zodat je nauwelijks voor je uit kijkt en ongemerkt ineens de heuveltop hebt bereikt.

Verbaasd blijf je staan. In de verte zie je een open plek tussen de bomen en een groot vuur. Terwijl je een paar stappen naar voren doet, zie je mensen heen en weer lopen bij het vuur. Aarzelend blijf je staan, je afvragend wie het zijn en wat ze daar doen. Je besluit terug te gaan, maar op het moment dat je je wilt omdraaien, zie je twee mannen op je af komen. Je wilt wegrennen maar iets, angst of nieuwsgierigheid, weerhoudt je en je neemt het tweetal eens wat beter op. Ze dragen lange gewaden en slingers gemaakt van korenhalmen om hun hals. Ze maken een opgewonden indruk.
"Gelukkig dat U er bent," richt de man links het woord tot je.
"We dachten al dat U verhinderd was," zegt de man rechts.
Je kijkt van de een naar de ander en schudt je hoofd. "Jullie moeten me met een ander verwarren," zeg je.
De man links glimlacht. "Nee," zegt hij, "er is geen vergissing mogelijk. Maar vergeef me mijn onbeleefdheid." Hij schudt je de hand en noemt zijn naam: Garf. Wat een rare naam, denk je, maar je zegt niets. De andere man stelt zich voor als Caspar, wat je tenminste vertrouwd in de oren klinkt. Als je je eigen naam noemt, valt Garf je in de reden. "Nee nee," zegt hij. "U bent Het Hoofd. U hebt geen naam."
"Het hoofd?" herhaal je. "Het hoofd waarvan?"
"Lang genoeg gepraat," zegt Caspar. "U kunt nu beter beginnen, anders wordt het middernacht voordat we aan het feest toe zijn."
"Beginnen?" herhaal je. "Waarmee?"
"Met het ritueel natuurlijk," zegt Garf, terwijl hij je in de richting van het vuur duwt. "Kom, de anderen wachten op ons."
"Ik weet nergens van," protesteer je.
"Dat zeggen ze allemaal," merkt Caspar op, terwijl hij je andere arm pakt. Je wilt vragen wie "ze" zijn die dat allemaal zeggen, maar ineens zie je een grote groep mannen en vrouwen die in een kring om het oplaaiend vuur staan en je allemaal aankijken of ze iets van je verwachten. Sommigen zijn nog heel jong, maar je ziet er ook bij met grijze haren. Ze dragen allemaal van die gewaden als Garf en Caspar en slingers van korenaren. Ze juichen en dansen en zijn duidelijk blij je te zien. Iemand legt je zo'n slinger om de hals; een ander drukt een staf in je handen waarvan het uiteinde als een korenaar is uitgesneden. Je weet niet goed wat je daarmee moet doen en je steekt je hand uit om de staf door te geven aan een ander, maar zodra je dat doet verstomt de menigte. Iedereen staat daar roerloos en kijkt afwachtend en met open mond naar jou terwijl je daar staat met die staf in je opgeheven hand. Je wilt dat ding weggooien, zo ver mogelijk van je af, in dat vuur als het moet, en wegrennen zo hard je maar kunt, maar je blijft staan en je arm gaat hoger en hoger tot hij bijna loodrecht omhoog wijst.

"Krachten van de donkere hemel," hoor je jezelf zeggen. Je arm gaat naar beneden tot de staf tussen je voeten wijst. "Krachten van de donkere aarde," zeg je. Dan gaat je arm omhoog tot de staf naar het oplaaiend vuur wijst. "Krachten van de ijle vlammen," zeg je, "wees welkom bij ons ritueel."

Je gaat voor het vuur staan, met je rug er naartoe, er zo dichtbij dat je af en toe de hitte van de vlammen in je nek voelt. Je neemt de staf in beide handen en houdt hem zo boven je hoofd. Garf doemt voor je op en glimlacht. "Zie je wel dat je weet wat je moet doen," zegt hij. Met een sierlijk gebaar haalt hij de slinger van zijn hals en gooit hem over de omhoogestoken staf, zodat hij naar beneden glijdt en om jouw hals blijft hangen. Caspar gaat tegenover je staan en doet hetzelfde. Daarna begint muziek te spelen en de groep danst hand in hand om je heen, terwijl er steeds iemand voor je blijft staan en zijn of haar slinger over je staf werpt. Soms gooit er iemand mis en dan komt de slinger achter je in het vuur terecht waar hij gelijk vlam vat en verteert. Degene die dat overkomt, kan rekenen op boegeroep en plagend wordt hij de kring rondgeduwd tot hij weet los te breken. Tenslotte is ieders krans om jouw hals of in het vuur beland en voor het eerst weet je niet meer wat je moet doen. Op het moment dat je aarzelend de staf laat zakken, verschijnt Garf links van je en Caspar rechts. Ze pakken je armen en duwen je achterover. Je voelt de hitte van de vlammen, ziet ze om je heen opschieten als de slingers om je nek vlamvatten. Dan word je opgenomen in een wilde dans met opzwepende muziek. Meisjes met hun armen vol vruchten en broden lachen naar je en je lacht terug. Je danst om het houtvuur heen, hand in hand met de anderen, terwijl het nacht wordt en als het vuur begint te doven spring je er overheen en iedereen doet het je na. Pas als de hemel lichter wordt val je in slaap.

Als je wakker wordt zijn alle anderen verdwenen. Het vuur is gedoofd en vlakbij de verkoolde resten vind je nog een tarwehalm. Je steekt hem in je haar en loopt dan naar de bosrand, waar je nog een laatste maal omkijkt voordat je het pad tussen de korenvelden af begint te dalen. Je bent al bijna beneden als je bedenkt dat de laatste halmen die gisteren nog op de akkers stonden, verdwenen zijn. Je vraagt je af of het dezelfde halmen zijn die die nacht in het vuur zijn verbrand. Wie zal het zeggen.

Aan het eind van het pad zie je een grasveld. Je gaat erop zitten en sluit je ogen. Je bereidt je erop voor weer terug te komen in deze ruimte. Je voelt je goed en uitgerust en je opent je ogen, waarna je om je heen kijkt en je, als je dat wilt, eens uitrekt.

Iedereen gaat staan en geeft elkaar een hand. Terwijl de groep deosil rondloopt, wordt er gezongen:

We are the old people, we are the new people
We are the same people, stronger than before

Na de chant pakt PS in haar linkerhand een beker wijn en in haar rechthand de schaal met brood. Ze zegt:

Ik zegen deze wijn en dit brood uit naam van Moeder Aarde en uit naam van hem die zich offerde opdat wij kunnen leven.

Ze brengt een plengoffer in het midden van de Cirkel, drinkt van de wijn en geeft de beker met een kus aan P, waarbij ze zegt:

Blessed be!

P drinkt van de wijn en geeft de beker met een kus en de wens "Blessed be!" aan de vrouw die links van hen staat. De vrouw drinkt van de wijn en geeft de beker door. Zo gaat de beker de Cirkel rond. De laatste die drinkt, offert wat wijn buiten de Cirkel in de vier windrichtingen. Daarna verkruimelt PS een stuk van het brood midden in de Cirkel, breekt een stuk van het brood, geeft dit aan P, neemt zelf ook een stuk en geeft de schaal door aan de persoon links van zich. De laatste die een stuk van het brood breekt, offert ook een stuk in de vier windrichtingen. Hierna wordt de Cirkel op de gebruikelijke wijze voor buitenrituelen (zie het Basisriteel) afgesloten.